Hofperikelen


Adam en Eva zijn in een crisis beland.
‘Ik vind er niks meer aan,’ moppert zij. ‘De fut is er uit. Geen vrijheid meer, en al die warme kleren aan je lijf.’
Adam zucht  ‘Ik had het me ook anders voorgesteld.’
Eva schiet uit haar slof. ‘Ja dat snap ik. Alleen maar in de tuin blijven hangen, de hele dag kiekeboe spelen met je vijgenblaadje, veel meer had je niet aan je hoofd.’
Minachtend bekijkt ze hem.
‘Wat wil je dan, vrouw?  Je hebt toch zelf die appel aangenomen?’
‘Ja jezus, als je geen risico durft te nemen gebeurt er nooit wat.  Dat zou jij niet gedaan hebben, hè schat?’  Giftig. ‘Maar jij zou ook niet benaderd zijn, de braafheid stond op je gezicht te lezen. Nog steeds, trouwens.’
Adam denkt na.
Dan zegt hij  ‘Maar jouw lef is wel de oorzaak van het leven zoals het nu is.’
Opnieuw vliegt Eva op. ‘Allicht, als ik in mijn eentje de appels uit het vuur moet halen. En wie at er graag van mee? Jij toch zeker!’  Ze mint de logica.
‘Nou, graag, graag, het is dat jij zo aandrong…’
‘Slappeling..’
Adam kijkt naar haar, hoort haar scherpe tong. Hij moet iets doen.
Verzoenend biedt hij aan. ‘Zal ik vanavond voor het eten zorgen? Lekker stukje vlees erbij? Goedmaken?’
Onwillig haalt Eva haar schouders op.
‘Toe lief,’ pleit Adam,  ‘ik heb wel zin in ribstuk.’

Paradijselijke droom


Het was er groen, erg groen; het schemerde voor je ogen.
En warm. Daarom liepen we in ons nakie al hielp het niet veel. Herhaaldelijk doken we in zeeën of rivieren, opdringerige krokodillen slikten we er wel bij, als het maar koelde.
Het ergste was de herrie.
Het floot, zong, krijste, brulde en siste en welke geluiden je maar bedenken kon die dieren maken terwijl je tegelijkertijd het lawaai hoorde van gebeweeg door ritselende bladeren of sluipende slangen dan wel blubblubbende vissen want de natuur was zo overvloedig dat je als mens je eigen stem nauwelijks hoorde.
Een onaangename plek maar wie weet komt er een vervolgdroom met een goede afloop.