onweer·stokrozen

Stokrozen – onweer


Dit zijn een paar van de stokreuzen, ik kon de camera niet laten liggen.
In de ochtendzon tegen achten, als het nog fris en fleurig is, is het een vriendelijke aanblik.
Ze worden elk jaar ’n beetje groter, alleen de kleuren filteren zich uit. Rood en donkerrood zijn verdwenen,  behalve 1 witte is de rest allemaal roze. Is dat bij rozen ook niet zo? Ik las zoiets, ergens.
Verder geen nieuws behalve dat de barometer terugloopt, het nadert VERANDERLIJK. Nu hoop ik dat we niet in onweer terechtkomen, als ik érgens bang voor ben…
Bang voor de koepel, de schutting, het platdak en dan die bliksem en het geratel.
Schietgebedjes helpen nooit, voor  een ongelovige komt de jezusmariajozefhelp  niet in het geweer.
Ik zal zien of het KNMI iets kan doen om eventueel onheil af te wenden  maar ik zie het pessimistisch in.
Trouwens, bloemen houden er ook niet van.
==

onweer

Bang voor onweer

Oud stukje. Echtgenoot is er niet meer, mijn angst nog steeds.

‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen. Echtgenoot keek op, ‘het is nog ver.’
‘Weet ik,  het is evengoed èng.’
‘Wat dondert het,’  probeerde hij  maar ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik naar boven, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die donderbuien met zich meebrengen. Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Van de keuken naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open.
Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.

onweer

Boos weer


‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen.
Echtgenoot keek op; ‘het is nog ver.’
‘Weet ik wel,  toch is het eng.’ Ik rilde.
‘Wat dondert het,’  probeerde hij. Ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik de trap op naar een bovenraam, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die onweersbuien met zich meebrengen.
Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open. Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door  een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster,  held, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.