Het was een warme nacht

Naar bed gaan is niets bijzonders, beetje rommelen op badkamer, prutsen met hor en raam, frunniken in boek en schrijfblok.
Zoals gewoonlijk.
Dan hoor ik gepraat,  een zacht gebabbel op de achtergrond.
Wat nou? Hoor ik buren of wandelaars? Tot in de slaapkamer? Nee toch?
Ik kijk naar de radio naast bed en controleer. Hij staat uit. Misschien de uitknop kapot? Ik trek de stekker eruit.
Het gebabbel gaat door.
Verwezen kijk ik rond. In geesten en sprookjes geloof ik niet, tinnitus is het niet (dat klinkt heel anders), logé’s zijn er niet, inbrekers zullen zo stom niet zijn.
Verborgen ruimtes in de muur?
Bangig check ik de andere kamers en vliering. Niemand. Naar beneden durf ik niet meer.
Tablet staat uit.
Telefoons ook.
Voorzichtig, zwetend van nog meer angst, je weet nooit wat of wie je opmerkt,  glijdt ik geruisloos onder het laken.
Kijk op en…
…zie de televisie aanstaan. Was me niet opgevallen.
Pfffff.
Heb ik waarschijnlijk zelf aangezet met het boekengefrunnik, de ab ligt tussen potlood en papier.
Ik dweil mijn gezicht droog. Nu kan ik rustig slapen.
O ja?
Wie zegt dat ik het zelf deed? Ik kijk immers nooit als ik in bed lig? En nu zou ik plotseling het toestel aanzetten? Ongeloofwaardig, absoluut.
Nogmaals met de spiegel onder bed loeren. en…

De rest kunt U zich zelf wel voorstellen, het gedraai in zweterige lakens.  Opschrikken, licht aan, licht uit.
Maar ik heb de ochtend gehaald. Levend en wel.
Advertenties

Wakker liggen

 


De nacht is begonnen. Ik hoorde hem aankomen in het stikkedonker.
Hij controleert de Kleine Beer, knikt naar de maan en telt de sterren.
Hij zegt niets. Zwijgen is een van zijn eigenschappen, rust zijn beroemdste kenmerk.
Ik wacht tot hij vertrekt.
‘Goeiemorgen’, zeg ik dan, opgelucht.

Nachtelijke overdenkingen


Het schoner volk dat almaar later op de avond verschijnt, wat zouden dat voor mensen zijn. Worden er dromen mee bedoeld, of juist duister gespuis?

Zwerfkatten misschien,  insluipers, weggelopen familieleden, desperate dwalers.
Of engelen, stel je voor dat ze bestaan en je de trap op dragen, op bed nedervlijen en in slaap wiegen, twee aan hoofd- en twee aan het voeteneind. Wat zou je zalig wegsluimeren.
De laatste gedachte neem ik straks mee naar bed, ik hoor de vleugelen al ruischen.

Het regent.