Aandoenlijke shortstory in drie delen

Lief (1)
Toen ze deuren en ramen schilderden kerfden ze hun namen in het houtwerk.
Opdat ze niet vergaten.
Zo verliefd, zo blindelings erin gelovend.
Dit werd absoluut hun huis.

Nog steeds lief (2)
Andermaal namen ze de kwasten, met de laatste laklaag verfden ze hartjes om elk van hun namen.
Nu konden ze het huis inzegenen met een prosit maar bovenal met de zekerheid van eeuwigheidswaarde die ze hun gevoel toedachten:
dit huis was voor altijd.

Niet meer lief (3)
Maar ach, ze raakten aan elkaar gewend en speelden slechts met lauwe gebaren, treurend om wat was en met vage hoop.
Vergeefs.
De namen zijn weggekrast.
==

Liefde met gevoel

Misschien een herhaling, ik kan het niet meer vinden.

Die winter kwam hij in mijn leven.
Hij was verrukkelijk en strelend en omsloot wellustig mijn contouren als een cocon, veilig en warm.
Dagelijks dacht ik urenlang aan de te verwachten lieflijkheid die me beschermde tegen de koude buitenwereld. Zelden daarvoor had ik zo’n zaligheid ervaren.
Wat hield ik van hem.
Zelfs toen in maart de buitenwereld minder boos werd zat ik dromerig aan mijn bureau, me koesterend in de wetenschap dat hij wachtte tot we samen waren.
Met moeite kon ik hem des morgens achterlaten, maar dan wist ik: straks is hij er weer.
Langzamerhand versleet de lente, maar niet mijn geliefde; integendeel, met gulzig enthousiasme zoog hij de zomerhitte uit mijn vel, verkoelde mijn zinderende lijf, zodat ik elke dag verlangde naar de nacht waar anderen de avonden rekten.
De randjes van de zomer werden net zo bruin als mijn huid en de zon werd zwakker, maar in het najaar had ik nog steeds niet genoeg van hem. Zijn voortreffelijkheid kwam nu pas goed voor de dag, beter gezegd, voor de nacht. Tijdens de barre stormen en kletterende regenbuien bezorgde hij me een warmte, zo liefdevol als in iemands herfst maar mogelijk is.
Weer werd het winter en mijn liefde beklijfde.
Hij was zo trouw, mijn vier-seizoenendekbed.

©Bertjens/Bertie.

Blauwtje

Haar blik ontroerde hem.
Sprekend van sympathie, misschien ook gevoel?
Haar neusje en mond vochtig-roze en kusklaar.
Die ogen, peilloos in hun donkerte waar een glans doorschemerde van, ja, van wat? Wederzijds gevoel?
Hij hoopte het.
Overmand door liefde stak hij zijn armen uit.
Maar ze wou niet.

Flirtles

Het doelwit zogenaamd toevallig aankijken, één oog een beetje dichtknijpen, wenkbrauw lichtjes optrekken.
Weglopen, vluchtig over de schouder loeren.
Nietszeggend rondkijken, ogen even laten rusten op de begeerde persoon, eventueel met beide wenkbrauwen iets omhoog.
Langs hem slenteren met bungelende tas –een verontschuldigend sorry-

Eindeloos was de hoeveelheid maniertjes die klasgenootjes elkaar leerden
En allemaal even spannend.
Sommige jongens deden mee, anderen hadden niets in de gaten.
Meestal had je de lessen niet nodig. Verliefdheid wees zichzelf.
Later denk je: wat waren we kinderachtig.
Nog later denk je: het was eigenlijk best een leuk spel.

Tekening van Pixabay.

Mijn geliefde kerstster


Een beeld was het, hij sprong eruit tussen honderden andere met zijn dieprode bladeren, fluwelig en rijk. Stevige voet in mooie aarde.
Pittig rechtop in een goeie pot.
Ik kon hem niet weerstaan en nam hem mee. Hij paste precies voor het keukenraam en stond daar zo feestelijk te wezen dat ik elke dag koekjes voor hem bakte. Of een taart. Soms een lekker maaltje maakte. Dan weer een patatje haalde. Hij lustte het niet maar ik wel.
Zo hadden we het heel genoeglijk samen.

Toch was hij niet gelukkig. Er verdorde een tak. Daarna twee. Hij tierde niet en ging zienderogen achteruit.
Bladeren vervaalden tot dorre ritsels. Ik gaf meer water, toen minder, baadde hem in geurige olie waarna hij definitief de geest gaf en tenslotte begroef ik hem naast de jeneverbes.
Daar ligt hij dood te wezen.
Zonder steen, mocht hij aan reïncarnatie doen moet hij eruit kunnen. In dat geval hoop ik dat hij een paar bessen kan oppikken, het maakt de start zoveel prettiger.

Feestelijke maaltijden eet ik nog iedere dag als een vorm van rouw, een geliefde kan ik niet zomaar loslaten.
Het is mijn trouwe aard.

Eenrichtingsverkeer

Het is al laat als ze eindelijk durft.
En nog twijfelt ze.
Wat, denkt ze, als hij slaapt?
Dronken is?
Stoned?
Of simpelweg geen zin in haar heeft?
Dan …
…dan antwoordt hij niet.
En wacht zij voor niets en dat na al die uren dat ze moed heeft moeten verzamelen, dat zou oneerlijk zijn.
Tranen prikken; voordat de tegenvaller daar is voelt ze het verdriet.
Was hij maar te vertrouwen, zou hij háár maar bellen en niet zijn vrienden.
Weet je, verzekert ze zichzelf, als ik van hem op aankon, had onze relatie toekomst.
Ik zou zo graag, wat zou ik graag met hem samenwonen, kan niet schelen waar.
Ze droomt.
Komt weer terug
En stuurt:
‘Houd je nog wel van me?’