Mijn geliefde kerstster


Een beeld was het, hij sprong eruit tussen honderden andere met zijn dieprode bladeren, fluwelig en rijk. Stevige voet in mooie aarde.
Pittig rechtop in een goeie pot.
Ik kon hem niet weerstaan en nam hem mee. Hij paste precies voor het keukenraam en stond daar zo feestelijk te wezen dat ik elke dag koekjes voor hem bakte. Of een taart. Soms een lekker maaltje maakte. Dan weer een patatje haalde. Hij lustte het niet maar ik wel.
Zo hadden we het heel genoeglijk samen.

Toch was hij niet gelukkig. Er verdorde een tak. Daarna twee. Hij tierde niet en ging zienderogen achteruit.
Bladeren vervaalden tot dorre ritsels. Ik gaf meer water, toen minder, baadde hem in geurige olie waarna hij definitief de geest gaf en tenslotte begroef ik hem naast de jeneverbes.
Daar ligt hij dood te wezen.
Zonder steen, mocht hij aan reïncarnatie doen moet hij eruit kunnen. In dat geval hoop ik dat hij een paar bessen kan oppikken, het maakt de start zoveel prettiger.

Feestelijke maaltijden eet ik nog iedere dag als een vorm van rouw, een geliefde kan ik niet zomaar loslaten.
Het is mijn trouwe aard.

Advertenties

Eenrichtingsverkeer

Het is al laat als ze eindelijk durft.
En nog twijfelt ze.
Wat, denkt ze, als hij slaapt?
Dronken is?
Stoned?
Of simpelweg geen zin in haar heeft?
Dan …
…dan antwoordt hij niet.
En wacht zij voor niets en dat na al die uren dat ze moed heeft moeten verzamelen, dat zou oneerlijk zijn.
Tranen prikken; voordat de tegenvaller daar is voelt ze het verdriet.
Was hij maar te vertrouwen, zou hij háár maar bellen en niet zijn vrienden.
Weet je, verzekert ze zichzelf, als ik van hem op aankon, had onze relatie toekomst.
Ik zou zo graag, wat zou ik graag met hem samenwonen, kan niet schelen waar.
Ze droomt.
Komt weer terug
En stuurt:
‘Houd je nog wel van me?’