Voorjaarstuin

Vandaag vijftien plantjes de grond uitgekeken

tientallen dikke knoppen aan de druif geteld
twee blaadjes van waterlelies op zien komen
dunne pootjes van een klimop zag ik groeien
enkele pioenstekken rood zien worden
ontelbare campanula’s breidden zich uit
en nog zoveel meer dat ik er duizelig van werd.
Voorjaarsgekte bestaat.
Een mens zou er haast van gaan dartelen.

Advertenties

Voorjaarszomerbuien

Morgen tweeëntwintig graden C.

Het is toch wat, zomervakantieweer terwijl je kapstok en kasten nog vol hangen met winterkleren. Nou ja, semiwinterkleren, in ieder geval niet geschikt.
Zelf had ik er gister al moeite mee. In mijn haast naar buiten griste ik het eerste shirtje mee dat vooraan op het zomerschap lag, trok het aan en zonk verzaligd in de zonnestoel.
Badend in het zweet merkte ik dat het een thermo-hemd was, speciaal voor barre winters. Geen idee hoe dat bij de zomerstapel terecht kwam.
Dat krijg je ervan met die maartse zomers. Daar wordt een mens vreemd van.  Stel dat dit zo doorgaat; ik zie het er nog van komen dat we in zwempak naar de paasdiensten gaan, pastoors en dominees in tangashorts, geminirokte nonnen, Praise the Sun zingend.  Voor de kleintjes puffende paashazen met slappe oren en mandjes kokende eieren, jankende kinderen die liever een ijsje hadden.
Gottegot, wat een vooruitzicht.
Nu al een zonnesteek,  moet de zomer nog beginnen.

Voorjaar in de nacht


Ook ’s nachts kun je hunkeren naar de lente.

Weliswaar zie je de  kleuren van voorjaarsbloemen vager,  toch voel je het aan.
Bedsokken en nachtpon zijn te warm (lach niet, ik draag beide),  de vroege ochtend biedt meer licht,  koffie pruttelt opgewekter.
Nog een paar dagen en dan…
…en dan een krantje zonder de grote lamp nodig te hebben.
Daar droom ik nu al van.

‘Het was een nacht….

.. die je normaal niet echt verwacht in bed…’

Aan ijsbanen denken en wegsoezen op schaatsen (ben ik allang verleerd maar erover dromen is ook voorpret),  wakker schrikken door een wak in het ijs waardoor ik bijna stikkend weer boven water kwam en het omgevallen glas uit mijn rug plukte (tonic, helaas), opnieuw wegdromen en in bergen halfbevroren insecten en Friese muizen terechtkomen die zwakjes protesteren tegen de WOC’s, en het ging maar door.
Ik geef het je te doen.
Terwijl ik me juist zo verheugde op de winter.
Sterker,  ik bad er om. Ongelovig stuurde ik verzoeken naar om het even welke god: let-it-snow  en  mijn-noren-willen-scoren.
Enfin. Nooit meer doen.
Doodloof werd ik wakker en bij het opstaan zag ik dat de vorst niets voorstelde.
Ik verschoonde het bed en verbande de winter resoluut.
Dan liever de lente.