lachen

Zuur

Een vrouw die we kenden was op bezoek in een woning langs het spoor.
Halverwege de koffie met gebak denderde een trein langs. Ze schrok vreselijk, haar voeten wipten op onder de salontafel die mee wipte en ja, alles lag op de grond. Inclusief haar koffie.
Paniek en gelach volgde.

Op een feestje lag de hond (groot formaat) half onder een bijzettafeltje.  Ook hij schrok ergens van. ging zitten met het tafeltje op zijn kop, glazen en hapjes donderden op de grond, enfin, paniek en gelach.

Tijdens een logeerpartij kregen we een slaapplaats met het hoofdeinde vlak  onder een schuin dak.
Wat te verwachten was gebeurde.
Man schrok ergens van, kwam overeind, stootte zijn hoofd, ik deed met hem mee en…
Er werd niet gelachen.
===

lachen

Lachwekkende smoezen

‘Niet zo dom lachen jullie.’
‘Lach niet zo stom.’
Menig geërgerde leraar maakte die opmerkingen, ook tegen mij. Resultaat was meestal nog meer gelach maar dan ingehouden. We begrepen het echt wel maar waarom meteen als ‘dom’ aangemerkt?
Hier dacht ik wel eens over over na. Een antwoord hadden we nooit, hoe kon je nu weten of je dom of juist pienter lachte?
Thuis oefende ik voor de spiegel, ik zag geen verschil, het stond alleen maar raar zo je mond te vertrekken. Dat vonden broer en zus ook, ze gingen achter me staan en deden me na. Toen lachte ik zuur en dat is heel wat anders.
Hadden we in de les meer mogen lachen dan was ik nooit aan het spijbelen gegaan.
Niet eindeloos rondjes hoeven fietsen en kou hoeven lijden tot het tijd werd naar huis te gaan.
Geen smoesjes hoeven verzinnen tegen de dirk.
Kortom, lachen was gezond maar dat snapten ze niet op die rotschool.
Zo praatte ik mezelf schoon en dat diploma haalde ik ook.
Grijnzend liet ik het de leraren en leraressen zien.
Sportief lachten ze mee op één na maar die lachte toch al nooit.