Merel vs kat

Er klonk geritsel op het dak. Ik keek op en zag een merel over de koepel hupsen, hij had twijgjes in zijn snavel.

Een kwartier later weer een of dezelfde. En later nog een. Ik ging naar buiten, nieuwsgierig naar waar de vogel het nest bouwde. Bezorgd ook.
Een ander geluid werd hoorbaar, heel zacht. Van een kat die niet kon voorkomen dat het afdak waarop hij in sluipgang bewoog, licht kraakte. Hij zag me en stopte even, liep dan door met zwiepende staart.
Waarschuwingsgeroep van de vogel waarop ik wachtte bleef uit. De kat zette zich in de loerhouding en wachtte ook.
Er kwam niets.
Toen heb ik de kat zelf weggejaagd want hoeveel ik ook van katten houd, een merelwoning in aanbouw, daar moet hij van afblijven.
Ik dacht niet ver genoeg vooruit.  Niet aan de  jonkies die straks uitvliegen onder pootbereik van dezelfde kat. Dat dat erger is dan een vernield huis vóór er eieren in liggen.
Zucht.
Wanneer doen we het goed?

 

Kat. Eigenaar.

Sinds kort komt er een vreemde kat achterom, halverwege de avond en ver van de achterdeur waar ik zelf zit. Een mooie glanzende zwartrug met witte bef en voetjes, zo’n beetje de standaardkat.  Geduldig probeer ik hem te lokken met stukjes kaas of wat dan ook.  Het gaat moeizaam, hij is nu zo ver dat hij niet meer wegrent als ik hem roep.
Dit voorzichtige contact schonk hem voldoende eigendomsrecht. Een vermakelijk gevolg hiervan zag ik vanavond.
Hij zat halverwege de stoep; met wiebelende oren hield hij alles in de gaten. Opeens zat hij onbeweeglijk, starend  naar een zwarte kat die onnozel aan kwam kuieren maar stokstijf stil bleef staan bij het zien van ‘mijn’ kat wiens aanblik hem zowat deed bevriezen.
Langzaam, heel langzaam deed hij een paar passen achteruit, nog meer passen, draaide zich traag om met een houding van ‘je denkt toch niet dat ik bang ben‘ en liep, ogenschijnlijk op zijn gemak, naar de poort waar hij de laatste  meter overbrugde met een snelsprong en er onderdoor rende. De zwartrug vloog er achter aan.
Ik genoot.
Een van de betere voorstellingen.

Fout sprookje


In het tamme bos sluipt de donkere kat over een schutting. Behoedzaam ontwijkt hij de uitlopers van een opdringerige passieflora en springt  geluidloos op een plat dak. Loerend zoekt hij naar de geelogige jonge lapzwans die zich verschuilt tussen de varens en een doornappelstruik, kauwend op een gestolen broodkorst.

De struik is nog klein maar, zo redeneert de lapzwans wraakzuchtig, als ik lang genoeg blijf zitten, zie ik vanzelf een appel verschijnen en daarmee zal ik de jager vergiftigen.

De onnozele heeft geen notie van groeitijden en nog minder van sprookjes laat staan van Sneeuwwitje.
Bovendien heeft hij geen geduld.
Na de laatste slik speurt hij naar de donkere. Hij ziet hem niet en waagt de sprong naar een kale kersenboomstam, klauwt omhoog en verdwijnt over het hek.
De donkere ziet het en zweeft vanaf het platte dak terug naar de schutting waar de passieflora  hem deze keer weet te strikken maar niet af te remmen en gekrent zich afkeert (het is een nogal verwaande plant), maar haalt de lapzwans pas in bij het kattenluik. Te laat. Vals snorrend laat de lap zich strelen.
Grrrrrrrr doet de donkere en neemt genoegen met de tweede aai.

DSC05717