Bijna jongste


De familie dunt uit, schreef ik al bij Ans.

Het is waar en dat merk je als (bijna) jongste het meest.
Niet alleen overlijden er broers en zussen, het zijn ook de minder frequente telefoontjes zodat je je afvraagt waar de interesse is gebleven.
Het overslaan van vakanties (‘we blijven lekker thuis’), briefjes die korter worden.

In echtgenoots familie gebeurt hetzelfde, ook daar blijft de informatie steken bij berichten als ‘we zijn nog steeds gezond‘, alsof ze op sterven na dood zijn.
Alles bij elkaar genomen voelde ik me tenslotte, plat gezegd, ’n beetje belazerd.
Je wordt door die broer en zussen geknuffeld, je bent de geliefde gast op feestjes, bruiloften en zelfs op begrafenissen. Je voelt je gekoesterd.
En dan is het op; wanneer je ze zelf nodig hebt zijn ze te oud. Voor de lange reis, voor pijnlijke gevoelens, heupen en knieën spelen op. Begrip wordt op een kaartje geschreven.
Dan merk je pas hoe verwend je was, als jongste, in de watten gelegd.
Hierover denk ik nog steeds na, het verschil tussen jongste en oudste in een gezin moet veelzeggend zijn in gedrag en opvatting.
Maar, en dat is iets  wat absoluut waar is, ik heb het goed gehad. Als bijna jongste.