Zo leerde je thuis

Een oud liedje, half gescheurd en verfomfaaid,  alleen de eerste regels. Ergens in een boek.  Het deed me meteen terugdenken aan de brugklas.
Het ging over een cowboy in Texas die geen Jippijee zong,  hij kon alleen jodelen. Een paar meisjes met een gitaar speelden en zongen het in de pauze.
Lachen, vonden we als 11- en 12-jarigen, dat was nog eens humor.
Ik kwam er mee thuis en zong het voor, al half wetend dat het niet in de smaak zou vallen bij mijn moeder. Zoiets voel je feilloos aan.
Ze lachte flauwtjes. ‘Mooi hoor. Leren jullie dat bij het vak muziek?’
Nou ja, wat snapte zij nou.

Helaas waren de anderen ook niet enthousiast.
Een broer lachte me uit, een zus te hard, een andere grijnsde alleen maar.
En ik begreep dat het simpele humor was, geschikt voor kleintjes zoals ikzelf.
Het was hard maar ja, zo ging dat, zo leerde je dat.

Maar toch, vergeleken bij de soldatenliedjes van broer en zijn vrienden, was het prachtig.
Die liedjes begreep ik dan ook niet.
==
King of the Road
Deze song heeft er niets mee te maken, het is gewoon mooi.
=

Bloemetjesstof.

Een rok.
Een knalgele lenterok met gekleurde bloemetjes, die maakte ik voor mezelf.
Het werd een vrolijk geval, een beetje klokkend. Zwierig.
Trots liep ik er mee rond.
Bijna iedere dag droeg ik hem met telkens een ander shirtje, in het blauw van de vergeetmenietjes of het wit van de madeliefjes.
Het werd zomer.
We aten buiten en fietsten naar het zwembad; ik aldoor in die rok.
Toen kwamen de wespen opzetten. Het fleurige motief leek te echt, ik was een wandelend bloemenperk.
Het begon met twee of drie stuks die op de rok neerstreken, toen een heel gezin tot er een compleet volkje op me af kwam en ik me als een insectenwolk voortbewoog en het ding niet meer durfde te dragen.
Stomme wespen, die het verschil niet zagen tussen echte bloemen of Mijn Rok.

Echt gebeurd.
Als ik het niet zelf niet had meegemaakt, zou ik dit nooit hebben geloofd.