Korte picknick

Dit plaatje (een echte is me te eng) bracht me terug naar een zomervakantie in het Gooi waar ik bij een zus logeerde.  Op een dag stelde ze een picknick voor, op de hei.
We vulden een mand en namen een plaid.
Eenmaal op de hei spreidden we de spullen uit en daar zaten we, klessebessend en etend, genietend van de zon. Althans, ik.
Zij bleef maar rondkijken en op de plaid kloppen en na een uurtje gaf ze het op. We blijven niet lang, zei ze, zullen we koffie drinken in het dorp?
Huh?  Met voldoende drinken bij ons?
Toen gaf ze toe: er leven hier adders.
Ik vloog minstens een meter op, panisch. Dat lieg je toch?
Nee, zei ze, echt. Het leek me een leuk uitje voor jou maar eerlijk gezegd griezel ik me dood.
Anders ik wel.  Het idee.
Gehaast propten we de boel in de mand en met hoog optrekkende knieën beenden we weg, zorgvuldig om ons heen speurend.
Later, bij haar thuis, was ik nog steeds niet gerustgesteld. Ze woonde buiten de kom, er was een flinke tuin met veel groen. Wie zegt dat daar ook niet van alles rond sloop?  Zo ver was het niet vanaf de hei.
Zwager lachte me uit en begon de bekende uitleg. Ze gaan de mensen uit de weg, hoeft niet bang te zijn enzovoorts, tenslotte beweerde hij dat hij elke avond controleerde. Nou, dat hielp…
De logeerpartij eindigde zonder incidenten.
Fobisch ben ik niet maar in een buitengebied zal ik nooit op de grond of een boomstronk of iets dergelijks gaan zitten, ook niet in de bossen rondom ons dorp.
Advertenties

Bang? Nee toch…

Volle maan.  IJselijke dingen komen voor. Toch niet echt? hoop ik.
Schrikachtig luister ik naar de nacht.
Niet hier, mompel ik mezelf gerust, dat ritseltje is een dakduif, het schijnsel  een manestraal , het gehuil is de buurbaby en –
‘Oh ja? Hahahahaaa….
Verstard lig ik daar en luister. Iets sluipt grinnikend onder het bed door. Plotseling staat het naast me.
Dodelijk bang staar ik naar gele ogen en punttanden, voel nagels langs mijn gezicht.
‘Had je niet gedacht hè?
‘Ga weg ,’ fluister ik.
Het ademt walgelijke walmen en grijpt mijn arm. Panisch stomp ik in het gezicht, en weer, tot het wezen me loslaat en verdwijnt.
Vloekend en slissend.
Rillend sta ik op, wat een rotdroom.
Ik sluit het raam, veeg wat zand weg… zand?  Met een pootafdruk??
Dan val ik flauw.