Gitaar

Verlangend kijkt Lola naar de akoestische gitaar in een kraam op de rommelmarkt, precies wat ze altijd al wilde hebben.  ‘Meneer, wat moet’ie kosten?’
‘Vijf euro mevrouwtje.’
Dan zal het niet veel soeps zijn, piekert ze maar een muziekleraar kan hem stemmen, kan ze meteen een paar lessen nemen.
‘Ik neem hem.’

In haar flatje plukt ze aan de snaren; stofwolken vliegen op en verdoffen het geluid. Hm, niet wat ze wil horen.
Ze kijkt hem na waarbij een dikke prop in het klankgat een niesbui teweeg brengt. Ze schudt het instrument leeg en wrijft het op, nu kan ze echt beginnen. Wacht, de  onderste snaar even spannen, ze draait hem strak. Te strak, hij springt.  Oei, dat is jammer. Nou ja, het is er maar één.
Optimistisch probeert ze het nog een keer. Plingplongplihahahahaնèèng…. hmmm, niet gek. Sterker: ze voelt de energie door haar lijf stromen, vibrerend tot in haar binnenste voelt ze de klanken. Ze geniet buitengewoon. Waarom zou ze les nemen? Trommelend en plukkend maakt ze haar eigen muziek, zoveel kwaliteit had ze zichzelf nooit toegedacht.
Gelukzalig tokkelt ze door en door. Gegrepen door een nieuw bedacht ritme raakt ze in trance en speelt de rest van de dag tot ze in slaap valt.
De  ochtend geeft haar een nieuw lied in waarbij ze onvermoede stemhoogtes ontdekt. Alsof er zilveren klokjes in haar keel zitten, zo jubelend, vindt ze zelf.
Dat zal de mensheid vreugde brengen, stelt ze zicht voor. Blije mensen die mee gaan doen.

In de loop van de middag nemen de vibraties langzamerhand af, haar spel wordt trager, haar stem schor. Ze bedenkt een slaaplied; met lange rukken aan de snaren componeert ze ter plekke een dommelig geluid tot ze wordt overstemd door de bel die lang en doordringend overgaat.
Ha, daar zijn ze al, de blijen!
Verwachtingsvol doet ze open. Neuriënd, nog maar half bij zinnen kijkt ze naar buiten; daar ziet ze alle flatbewoners op haar stoep. Gekwelde gezichten, zichtbaar lijdende mensen. ‘Genade,’ smeken ze, ‘we gaan er en bloc onderdoor en verhuizen is geen optie. Ach buurvrouwlief, toe, zing niet meer en gooi dat jammerhout ook maar weg…’
Verbaasd luistert Lola naar het huilerige stemmen. Is het waar, bezorgt ze de mensen verdriet? Maar dan moet ze juist vrolijkheid brengen en ze reikt naar de gitaar.
Vlug stapt een politieagent naar voren.
‘Hola, hier dat ding. Ik neem hem in beslag en klaag U aan wegens geluidsoverlast en het toebrengen van psychische schade aan de U omringende bewoners. Tenzij U belooft nooit meer te zingen anders dan binnensmonds, en stopt met musiceren. Wat is hierop Uw antwoord? Nou?’ Hij dringt aan op een directe belofte, zich bewust van de drom mensen die naar hem luistert.
Lola heeft haar trots.
‘Heel goed. Nooit meer zal ik zingen, zelfs geen woord meer hardop uitbrengen.’
Zwijgend doet ze de deur dicht.
En zwijgend leeft ze tot ze dood gaat.

Iemand legt een gitaar zonder snaren op de steen.
-.

Dag alle lezers,

Hartelijk dank voor het medeleven en de lieve wensen, en voor het gedicht, Beekje.
Ik kon niet eerder schrijven, de eerste week was ik van de wereld door pijn en pijnstillers. Er was een breuk in rechterbovenarm, links en rechts van de kop lagen een paar stukjes bot los. Schouder, knie en onderarm waren alleen wat geschaafd. Gelukkig hoefde er niets gezet te worden en is het dragen van een sling (band) voldoende. Stel je voor dat er met deze temperaturen gips aan te pas kwam.
Met de linkerarm je dingen doen terwijl je rechts bent, dat valt tegen. Voorlopig zal ik niet veel schrijven of lezen, boek of tablet vasthouden is lastig.Kan ik mooi mijn zonden overdenken ☻
Ik wens iedereen nog meer zomerse dagen met nog meer zon, gezien de toestand in de voortuintjes denk je aan een verschroeide aarde maar dan zonder oorlogsgeweld.
Tiswat, als we niet zo zweetten zouden we zelf nog verdrogen.

Groet en tot over een paar dagen.

’t Is een vreemdeling zeker.

Een man neemt plaats in de dokterswachtkamer.  Hij ziet er opgeblazen uit, pafferig en pompeus tegelijk.
Rondkijkend merkt hij dat elkaars kwalen besproken worden.
Veel klachten lijken simpel. Verstopte neus, gipsen been, een kind met buikpijn, ze stellen niet veel voor maar het maakt hem niets uit. Hij heeft geduld en luistert naar alle verhalen. De tersluikse blikken zijn duidelijk, hij zal dra gevraagd worden. Een onbekende met een breed gzicht moet wel iets aparts zijn, verwacht hij.
De vrouw naast hem neemt het woord. ‘En wat heeft U, meneer?’
‘Een dik hoofd, mevrouw.’
De overige patiënten knikken bevestigend maar zeggen niets, ze wachten op de reactie van de woordvoerster.
‘Aha,’ zegt deze. Ze strijkt onwillekeurig over haar haar. ‘Hoe komt dat?’
‘Er zit een kolder in.’
‘Oh, echt waar?’ Weifelend schuift ze haar stoel een stukje op. Je weet maar nooit.
‘Nou en of.’
‘Goh, dat is ook wat.’ Ze schuift nog verder weg. ‘Wat moet de dokter daar aan doen?’
‘Een briefje voor de psychiater, U weet wel, graafwerk in de geest.’  Zijn ogen staan verwaand.
De vrouw slikt. ‘Dat zal een hoop gespit worden,’ zegt ze met een blik op zijn grote wangen.
De man toont zich gevleid. ‘Ja mevrouw, daar reken ik ook op.’
In daaropvolgende stilte kijkt men elkaar gegeneerd aan.
De dokter verschijnt: ‘Volgende patiënt.’ Allen wijzen opgelucht naar de bolle.
Ze wachten zwijgend tot de man zich weer laat zien.
Triomfantelijk houdt hij een verwijsbrief omhoog. ‘Afspraak met de neuroloog,’ legt hij uit, ‘waarschijnlijk heb ik een van de grootste kolders die hij ooit heeft gezien.’
Verbouwereerd staren de wachtenden hem na.

Serie. Al die mensen..

..die zo extreem waren in eigenschappen of uiterlijk kregen een uitgebreide email.
De oproep van een man die zo idealistisch was dat hij oprecht geloofde aan geluk voor iedereen.
Hij zocht al jaren naar een paradijs op aarde en zanikte op het gemeentehuis  aldoor over geld voor de armen, vrijheid voor gekken, iedereen een eigen villa. Men luisterde nooit.
Het zien van de figuren uit deze serie bracht hem op een lumineus idee.
Kom met mij samenwonen, mailde hij de lange, de jaloerse, horkerige en alle andere bijzondere types.
Ik ga een stuk grond kopen en bouw een huis met ruimten naar ieders wens. We doen ons geld bij elkaar en gaan ons eigen leven leiden zonder dat we iemand storen en waar plaats genoeg is.
Iedereen die niet past in het geijkte model kan zich bij ons voegen. Zo kweken we een nieuwe gemiddelde mens met een ruime blik.
Er kwamen veel reacties.
– Ik wil een spiegelkamer.
– Waar? Wanneer? Wat kost het?
– Is er plaats voor mijn dubbelstoel?
– Het staat toch wel op een goede stand?
– Met wie moet ik wat kweken?
De man liet zich niet ontmoedigen, hij zocht en vond een geschikt pand. Richtte het in en stelde het open voor de nieuwe bewoners.
Die kwamen en settelden zich.  Kleinzieligen, grootorigen, vreetzakken, tonronden.
Maar er veranderde niets. Ze bleven zeurderig, breed, nieuwsgierig en hooghartig  en in plaats van de dorpelingen vielen ze elkáár lastig.
Ze vonden hun afwijking normaal en wilden dat zo houden, over voortplanting werd niet gesproken, integendeel, ze noemden de man een idioot. De een na de ander vertrok weer naar de oude stek.
De idealist snapte er niets van.
‘Hoe kan dat nou?’ verbaasde hij zich, teleurgesteld.
‘Er bestaan geen gemiddelde mensen, wist je dat nog niet?’ gromde de burgemeester.
‘Behalve bij de notabelen,’ snibde de hatelijke vrouw.
En daar is wat voor te zeggen.

Mist 21. Slot.

Daar keek ik van op maar toen ik zag hoe stroef zijn gezicht stond,  begreep ik dat er veel emoties meespeelden.
‘Over de kinderen?’ vroeg ik aarzelend.
Verdriet schemerde in zijn ogen, het deed me pijn en ik stond op om hen te omarmen. Ik voorvoelde problemen, wilde hem troosten. Streelde zijn gezicht, hals, zijn rug.
‘Het is zo moeilijk Bertje, daarom stelde ik het uit en weer en weer. Het was de ultieme slechtheid van Roman die me verbijsterde,  bijna mijn rouw overschaduwde.’  Hij zweeg. Ik wachtte.
‘Je moet weten dat Camilla zwanger was van een tweeling.  Mìjn tweeling. Dat hoorde ik pas toen ze al weg was, Roman liet het me al te graag weten en nog gretiger toen ze doodgeboren werden. Hij zou haar gezondere kinderen schenken, meldde hij….’
Verder kwam hij niet, mijn voorgevoel bleek juist.
Afschuwelijke geluiden vulden plotseling de keuken. Huilende baby’s, waanzinnig gelach, weeklagende vrouwenstemmen. Ik viel op mijn knieën, mijn hoofd op zijn schoot waar hij zijn ijskoude handen over mijn oren legde. Ineenkrimpend huiverde ik van angst voor de dikke mist, die vervloekte mist.  P trok me rechtop, zijn hoofd geheven prevelde hij sussend mijn naam. Lijkbleek staarde hij,  maakte vreemde tekens, het geluid zwol aan in een laatste crescendo,  nog meer tekens maakte hij, onophoudelijk tot de kakofonie afnam. Langzaam wegstierf met een helse uitschieter, op een paar doorzeurende tonen na.
Ademloos, dicht tegen elkaar als één harteklop, keken we toe hoe de laatste dampen wervelden, de grijsheid verflauwde onder zachte mineuren. Een kleine hoge noot zuchtte, als een verontschuldiging. Toen was het stil.
‘Het is voorbij’.
‘Ja.’

Ik voelde de verandering in P.  Zijn levendigheid, de blijdschap waarmee hij me kuste, het gemak waarmee hij het eten negeerde. Het ontroerde me, ons spel was oneindig zoet.

‘Ga je mee fietsen? Naar het bos?’
Onderweg spraken we niet, elkaars nabijheid was voldoende.
Alles klopte. De vlinders in mijn buik, het weeëe gevoel wanneer hij naar me keek, zijn onpeilbare tederheid,
Voor het eerst begreep ik wat het betekende van iemand te houden.

Serie. Een nieuwsgierige man.

Er was eens een man, zo vreselijk nieuwsgierig dat hij  met open ogen sliep om maar niets van de nacht te hoeven missen.
Vaak maalden zijn gedachten: heb ik echt alles aan iedereen  gevraagd, kreeg ik alle antwoorden, waarom weet ik dat niet meer. Ten lange leste sliep hij ongeweten vreemde chaotische dromen in en uit.
Meteen na het opstaan kocht hij alle kranten, las ze tot de laatste letter en schreef brieven naar vragenrubrieken. Daarna trok hij  eropuit. Voorheen met de bus maar sinds hij de chauffeur te lang ondervraagd had over motorvermogen, stuurinrichting,  afstand tussen twee haltes, voornaam van diens vrouw, kleur van zijn hemd en nog veel meer, mocht hij niet meer mee.
Overigens waren de straten uitgestorven daar iedereen wist dat hij er aankwam, hooguit ontmoette hij een onnozele zwerver en die wist in de regel niet veel.
Aan de huisarts vroeg hij hoe de assistente heette en met welk mes wratten werden weggesneden en hoe hij het scherp hield. Tot de dokter hem buiten zette.
Bij de burgemeester wilde hij weten waarmee het ambtsketen werd gepoetst en hoe vaak, of het niet te zwaar was om mans nek tot hij ook daar werd weggejaagd. Hij deed zijn beklag op het politiebureau, vroeg naar een wet die burgemeester en huisarts zou verplichten transparante antwoorden te geven en vond de wachtmeester ook niet dat de koning moest worden ingelicht?
Toen hij tenslotte drie dorpen verderop gedumpt werd  waar de inwoners hem met dezelfde vaart terug brachten wist hij nog steeds niet genoeg en vroeg aan iedereen waar hij de onvriendelijkheid aan verdiend had.
Zo zeurde hij zijn leven door.