Verhaal halen


Vanmiddag zag ik een onderwerp waarvan een verhaal te maken was..
Hè ja, dacht ik. Precies goed voor een weblog.
Ik bedacht er van alles omheen, vakantie, buitenlandse achtergrond, zonnewarmte, lekker actueel.
Maar.
Nu zit ik aan de laptop en is het verhaal weg.
Ik pieker, waar ben je nou? klaag ik.
‘In je hoofd,’ seint het, ‘en daar blijf ik voorlopig.’
Neeeeee, een verhaal met een ego, waar heb ik dat aan te danken?
Ik hoor een denkbeeldige zucht.
‘Je moet niet denken dat ik op bevel tevoorschijn kom. Ook onderwerpen en verhalen hebben recht op een eigen wil.’
Zozo. Eigen rechten.
‘Waar en van wie heb je dat gehoord?’ vroeg ik.
‘Eh, dat leeft al langer onder ons.’
Ik dacht na.
‘Ben je soms bij een adviseur geweest? Banencoach? Advocaat?’
Stilte.
‘Nou,’ drong ik aan.
‘Je snapt toch zelf wel dat ook wij iets te zeggen hebben?’ Verdedigend.
Ik zweeg, kon niet direct de juiste woorden vinden.
Triomfantelijk gelach klonk op. ‘Had je niet gedacht he? Zomaar een verhaal oppikken, dat kan niet meer.’
Toen had ik hem.
‘Nee,’zei ik,  ‘ik verzin er zelf wel een.’
==

.

Advertenties

Overdenken. Over denken.

Heb jij niets te doen?
Jawel, dat zie je toch.
Wat dan?
Ik denk na.

Het was een typische ouderwetse moedervraag. Die ik -onnadenkend- zelf ook wel eens stelde.
Meestal werd het antwoord niet serieus genomen, niet erkend en vaak ook niet herkend.
Het werd niet overal aangemoedigd.
‘Denken laat je maar aan mij over.‘ Of aan een paard , de kat, vul maar in.
Op school kreeg je te horen dat je zat te dromen, terwijl je in werkelijkheid in diepe gedachten verzonken was.
Op je werk mocht je alleen denken als het goed was voor de baas, efficiency en zo, of hoe de lopende band sneller kon.
Voorstanders bestonden natuurlijk ook, er waren ouders, onderwijzers, chefs, professoren, handige verkopers en anderen die het denken wel degelijk bevorderden. Tenminste, dat hoopte ik.
Nu denk ik dat er niets veranderd is. Dat nadenken nog steeds een dubieuze aangelegenheid is.
Het word niet altijd begrepen.
Een nadeel van denken is dat het zo onzichtbaar is.  We hoeven er niet bij te gaan zitten als Rodin’s beeld maar een kleurtje of een ander duidelijk kenmerk lijkt me handig.
Diepbeige, interessant roze, licht purper. Daarmee geef je tevens het sóórt denken te kennen. Aan de kermis bijvoorbeeld, blauw met sterretjes.
Een diepe denkrimpel in de vorm van een vraagteken lijkt me ook wel wat. Doet intelligent aan, net of je echt denkt.
Je ziet meteen: hier werkt een brein.
Een ernstige gezicht is niet genoeg. De meeste politici kunnen dat opzetten maar het is geen garantie voor een denkvermogen.
==

Brabo. En de vrouw?

Geen vraag van wereldbelang, ik vraag het me zomaar af.
Wat is de vrouwelijke vorm.
Als een Brabander een Brabo wordt, hoe heten wij dan?
Brabesse? Brabine? Brabse? Brabones? Brabegge?
Daar hoor je nooit wat over.
Wijlen (Brabantse) echtgenoot wist het ook niet.
Hij hoorde het woord Brabo niet graag. Hij vond het een scheldwoord maar dat zei me niets, als import heb ik niet het precieze bloed,  zuidelijke trots ontbreekt me al moet ik zeggen dat ik hier heel snel het bier heb leren waarderen. En koude schotel.
Navraag bij Wikpedia leverde iets heel anders op.
Ene Silvius Brabo was een Romein die de reus Antigoon doodde en het symbool van de stad Antwerpen werd. Zie
https://nl.wikipedia.org/wiki/Silvius_Brabo
Daar wist ik niets van.
Ik denk niet dat deze Brabo bedoeld wordt. Als een soort held. Het idee. Ha!

In mijn vroegere woonplaats was een vrouw veel makkelijker te benoemen.
Je was een Zaanse. Meer niet. We hoefden ons nooit het hoofd te breken over vreemde  vragen.
Nou ja, er waren mannen die het over Zanikkers had maar zulke zeveraars vind je overal. Er zijn zelfs Brabanders die hun vrouw een zanik noemen terwijl ze niets van de Zaan afweten. Daar zijn het mannen voor.
Al typende hoopte ik op een oplossing maar nee.
Het blijft een raadsel of zijn we daar vrouwen voor?
==

Huisdieren en eigenaren


Er liep een man met zijn hond aan de riem. Ze lieten elkaar uit. Woordeloos, elk  begreep de ander.
Even verderop wandelde een hond met zijn man. Ook zij lieten elkaar uit in zwijgend  begrip.
Toen de stellen elkaar tegenkwamen groetten ze allen beleefd, een knikje, een grom.
Ze waren gewend aan dooreengelopen identiteiten.
Tot zover de praktijk van honden en baasjes die op elkaar gaan lijken, ze merken het verschil niet meer.
Daar kwam plotseling een kat te voorschijn, hij leidde een vrouw.  Uitdagend, sjiek riempje om haar nek, zachtleren handlus tussen de tanden van de ander.
Honden en mannen keerden zich en bloc van hen af. Walgend.
‘Jaloerse krengen,’ mompelden ze.
==

Over parfum

Gelezen, ooit, ergens:
‘parfumeren doe je op de plaatsen waar je het liefst gekust wil worden.’
Mooie gedachte, overbekend maar je leest het zelden.
In de uitgaansjaren besprenkelde ik me van top tot teen met eau de cologne (parfum was te duur). Niet om zoenen te vergaren. De goedkope geuren vervlogen zo snel, ik hoopte dat er een vleugje bleef hangen.

Nogal wat jongens zeiden een hekel te hebben aan parfum.
Dat was stoerdoenerij, een overblijfsel van hun kleine-kindertijd waarin ze niks van meiden wilden weten. Ondertussen hingen ze om het meest bedwelmende meisje heen, gedrogeerd door de zware dampen. Dat wisten ze zelf natuurlijk niet. Wij wel.
Een paar keer had ik bedacht om iets stinkerigs mee te nemen, een flesje azijn of zo, om vervelende jongens af te weren. Dat plan voerde ik nooit uit, de lucht blijft te lang hangen en het zou de jonge goden ook weghouden.

Later leerde ik echte parfum kennen. Duur maar fijn. Op verjaardagen kreeg ik kleine flesjes tot er een zwaarverliefde vrijer kwam die me een fles overhandigde van zowat een kwart liter. Zo leek het door de royale verpakking, een soort margarinedoos . Enfin, ik was er blij mee.

Na de verloving minderde het parfumgebruik.
Niet alleen hoefde ik niet meer te hengelen, hij bracht ook die grote dozen niet meer mee.
Maar af en toe kochten we wel eens een flesje voor elkaar. Hij mijn parfum, ik zijn after shave.
Dan verzonken we in verstikkende geurenwolken waarbij het niets uitmaakte waar we het opdeden.
We dachten niet aan kussen.
Eerst hond en kat redden die voor pampus lagen, happend naar adem.
Dieren kunnen niet veel hebben op parfumgebied, we kochten ze dan ook niet meer.
Zonder dieren valt heel goed te leven.
==

Feestdagen


Carnaval hebben we gehad, Pasen nu ook, koningsdag. Pinksteren volgt nog   voorafgegaan door Hemelvaart, daarna Bevrijdingsdag en dan zijn de feestdagen voorbij.
Nou ja, vader- en moederdag, kermisen, hier en daar een jubileum daargelaten. En die ik vergeten ben.
Tot Sinterklaas, Kerstmis en jaarwisseling.
Toen ik klein was hoorde men overal aan mee te doen. Niet wettilijk, wel uit gewoonte en zéker voor een kerk.
We feestten er wat af.

Als kinderen keken we er naar uit: lekker eten, ijsjes, limonade, fijne koek, kadootjes, opgewekt stemming.
Dat laatste was niet altijd zo zeker, de verveling sloeg toe op tweede kerstdag. Slecht paasweer was ook geen pretje. Voor de groten hoefde het allemaal niet behalve Pinksteren, dat duurde  drie dagen en eindigde met kermis in Jisp.
Maar onze moe was een aartsoptimist en we kwamen de tijd door zonder al te grote onvredes.

Langzamerhand werden we het beu. Veel mensen deden er niets of weinig meer aan. Voor de pastoor kwam je je bed niet uit, Kerstmis en Pasen werden meer en meer korte vakanties of tripjes.
Alleen voor kinderen verzon je nog wat tot ze stonden te trappelen om te gaan stappen na het dessert.
Het was een opluchting, vooral voor echtgenoot. Hij haatte het opzitten en verplicht thuisblijven en zijn riem een gaatje losser te moeten maken.
Hier is het rustig op het feestfront. Nog steeds zet ik (meestal) de kerstboom. Voor mijn eigen plezier. Afbreken pleziert me nog meer.
Wie op feestbezoek komt krijgt koffie met gebak, een biertje of iets anders. Eten doen we met een klein ploegje of in een restaurant.
De meeste bijzondere dagen gaan bijna geruisloos voorbij.

Rondkijken op  de kermis is gezellig, met een vriendin markten afstruinen is nog gezelliger, af en toe een muziekavondje, en meer van dat. Stukken beter dan gedwongen vieringen.
En een biertje of lekkere hap lust ik thuis ook wel.
Straks, bijvoorbeeld.
==

Foto

De nieuwe kopfoto is een oudje, ik krijg hem met alle filters niet helderder.
Maar het is duidelijk:  kauwen hadden hier hun verzamelplaats.

Achtertuintje

Het is al weer te droog.
Knolletjes en zaadjes die ik in de grond stopte besproei ik licht.
Te vroeg, volgens een kennis, gezaaid vóór de IJsheiligen kunnen ze bevriezen.
Daar trek ik me niks van aan.
Ervaring doet ook wat. Ik weet dat het gros -en meer- ontkiemt.
En nog wat. Hebben de ijsheiligen nog iets te zeggen met de klimaatveranderingen? Zijn ze nog wel geldig? Ik betwijfel het. De verhalen van ‘in juni bevroren de poters nog’ dateren altijd van vroeger.
Hoe dan ook.
Ik wacht op groene puntjes in de achtertuin, met argusogen zoek ik dagelijks maar niets komt de grond uit.
Hier en daar een spijtig grassprietje dat sorry zegt.
Het is te vroeg, houd ik mezelf voor, over een maand wanhoop je door het oerwoud van wildgroeiende bloemen en planten.
Wat heb ik aan die gedachte?
Ik kijk ze NU de grond uit. Daar besproei ik ze voor. Ik bid voor ze en duim, smeek desnoods.
Wat willen ze nog meer?
Zelfs wildgroei verwelkom ik.
==

Voorraam


De fleurige bloempotjes en -emmertjes in de rommelwinkels stonden me wel aan.
Ik zette ze her en der neer tot het verveelde.
Weggooien kon niet, ik verplaatste ze naar een lege plank. Stond best aardig, al die felle kleurtjes. Af en toe kocht ik er een bij tot de plank vol was.
Toen zag ik mensen stilstaan en naar ons raam wijzen.
Het duurde even voor ik begreep dat ze naar de bloempotjes keken die op de lege plank stonden, de vensterbank.
Echtgenoot lachte er om dus liet ik ze staan.
Nu heeft de zon ze verkleurd en is het een fletse bedoening geworden.
Maar ja, de rommelwinkels in het dorp zijn verhuisd naar verderopse plaatsen. Daar komen we niet vaak.
De kijkers zullen het met deze moeten doen.
Ik ook.
Waar een mens al niet door geplaagd wordt.
-=

Nog een erfstuk.


Alweer een boek, uitgegeven in 1976.
Het is uitgesproken technisch, de bladwijzer zit bij een abracadabra-pagina.
Een soort toverspreuken.
De vraag is ook nu:
wat moet je er mee.
Dumpen bij Arendsoog en P.Pandoer in de oudpapierdoos?
Toch jammer, het was van een broer die motor reed en het redelijk zuinig bewaarde.
Hij hield van deze techniek, voor hem was dit  boeiend leeswerk.
Terug in de kast maar weer, bij de foto-albums met
opoe en oude tantes die niemand meer kent.

Ergens zag ik dit boek te koop staan voor € 40.
Oorspronkelijke prijs: fl 4,95.
Interessante groei.
Als ik nog even geduld heb word ik miljonair.
Dan trakteer ik op taartjes en een motorritje,
weer eens wat anders dan een Solex.
Er is vast wel een bedrijf waar je zoiets kan bestellen
en anders koop ik er zelf een en mogen jullie achterop.
Strak plan?