Dag alle lezers,

Hartelijk dank voor het medeleven en de lieve wensen, en voor het gedicht, Beekje.
Ik kon niet eerder schrijven, de eerste week was ik van de wereld door pijn en pijnstillers. Er was een breuk in rechterbovenarm, links en rechts van de kop lagen een paar stukjes bot los. Schouder, knie en onderarm waren alleen wat geschaafd. Gelukkig hoefde er niets gezet te worden en is het dragen van een sling (band) voldoende. Stel je voor dat er met deze temperaturen gips aan te pas kwam.
Met de linkerarm je dingen doen terwijl je rechts bent, dat valt tegen. Voorlopig zal ik niet veel schrijven of lezen, boek of tablet vasthouden is lastig.Kan ik mooi mijn zonden overdenken ☻
Ik wens iedereen nog meer zomerse dagen met nog meer zon, gezien de toestand in de voortuintjes denk je aan een verschroeide aarde maar dan zonder oorlogsgeweld.
Tiswat, als we niet zo zweetten zouden we zelf nog verdrogen.

Groet en tot over een paar dagen.

’t Is een vreemdeling zeker.

Een man neemt plaats in de dokterswachtkamer.  Hij ziet er opgeblazen uit, pafferig en pompeus tegelijk.
Rondkijkend merkt hij dat elkaars kwalen besproken worden.
Veel klachten lijken simpel. Verstopte neus, gipsen been, een kind met buikpijn, ze stellen niet veel voor maar het maakt hem niets uit. Hij heeft geduld en luistert naar alle verhalen. De tersluikse blikken zijn duidelijk, hij zal dra gevraagd worden. Een onbekende met een breed gzicht moet wel iets aparts zijn, verwacht hij.
De vrouw naast hem neemt het woord. ‘En wat heeft U, meneer?’
‘Een dik hoofd, mevrouw.’
De overige patiënten knikken bevestigend maar zeggen niets, ze wachten op de reactie van de woordvoerster.
‘Aha,’ zegt deze. Ze strijkt onwillekeurig over haar haar. ‘Hoe komt dat?’
‘Er zit een kolder in.’
‘Oh, echt waar?’ Weifelend schuift ze haar stoel een stukje op. Je weet maar nooit.
‘Nou en of.’
‘Goh, dat is ook wat.’ Ze schuift nog verder weg. ‘Wat moet de dokter daar aan doen?’
‘Een briefje voor de psychiater, U weet wel, graafwerk in de geest.’  Zijn ogen staan verwaand.
De vrouw slikt. ‘Dat zal een hoop gespit worden,’ zegt ze met een blik op zijn grote wangen.
De man toont zich gevleid. ‘Ja mevrouw, daar reken ik ook op.’
In daaropvolgende stilte kijkt men elkaar gegeneerd aan.
De dokter verschijnt: ‘Volgende patiënt.’ Allen wijzen opgelucht naar de bolle.
Ze wachten zwijgend tot de man zich weer laat zien.
Triomfantelijk houdt hij een verwijsbrief omhoog. ‘Afspraak met de neuroloog,’ legt hij uit, ‘waarschijnlijk heb ik een van de grootste kolders die hij ooit heeft gezien.’
Verbouwereerd staren de wachtenden hem na.

Serie. Al die mensen..

..die zo extreem waren in eigenschappen of uiterlijk kregen een uitgebreide email.
De oproep van een man die zo idealistisch was dat hij oprecht geloofde aan geluk voor iedereen.
Hij zocht al jaren naar een paradijs op aarde en zanikte op het gemeentehuis  aldoor over geld voor de armen, vrijheid voor gekken, iedereen een eigen villa. Men luisterde nooit.
Het zien van de figuren uit deze serie bracht hem op een lumineus idee.
Kom met mij samenwonen, mailde hij de lange, de jaloerse, horkerige en alle andere bijzondere types.
Ik ga een stuk grond kopen en bouw een huis met ruimten naar ieders wens. We doen ons geld bij elkaar en gaan ons eigen leven leiden zonder dat we iemand storen en waar plaats genoeg is.
Iedereen die niet past in het geijkte model kan zich bij ons voegen. Zo kweken we een nieuwe gemiddelde mens met een ruime blik.
Er kwamen veel reacties.
– Ik wil een spiegelkamer.
– Waar? Wanneer? Wat kost het?
– Is er plaats voor mijn dubbelstoel?
– Het staat toch wel op een goede stand?
– Met wie moet ik wat kweken?
De man liet zich niet ontmoedigen, hij zocht en vond een geschikt pand. Richtte het in en stelde het open voor de nieuwe bewoners.
Die kwamen en settelden zich.  Kleinzieligen, grootorigen, vreetzakken, tonronden.
Maar er veranderde niets. Ze bleven zeurderig, breed, nieuwsgierig en hooghartig  en in plaats van de dorpelingen vielen ze elkáár lastig.
Ze vonden hun afwijking normaal en wilden dat zo houden, over voortplanting werd niet gesproken, integendeel, ze noemden de man een idioot. De een na de ander vertrok weer naar de oude stek.
De idealist snapte er niets van.
‘Hoe kan dat nou?’ verbaasde hij zich, teleurgesteld.
‘Er bestaan geen gemiddelde mensen, wist je dat nog niet?’ gromde de burgemeester.
‘Behalve bij de notabelen,’ snibde de hatelijke vrouw.
En daar is wat voor te zeggen.

Mist 21. Slot.

Daar keek ik van op maar toen ik zag hoe stroef zijn gezicht stond,  begreep ik dat er veel emoties meespeelden.
‘Over de kinderen?’ vroeg ik aarzelend.
Verdriet schemerde in zijn ogen, het deed me pijn en ik stond op om hen te omarmen. Ik voorvoelde problemen, wilde hem troosten. Streelde zijn gezicht, hals, zijn rug.
‘Het is zo moeilijk Bertje, daarom stelde ik het uit en weer en weer. Het was de ultieme slechtheid van Roman die me verbijsterde,  bijna mijn rouw overschaduwde.’  Hij zweeg. Ik wachtte.
‘Je moet weten dat Camilla zwanger was van een tweeling.  Mìjn tweeling. Dat hoorde ik pas toen ze al weg was, Roman liet het me al te graag weten en nog gretiger toen ze doodgeboren werden. Hij zou haar gezondere kinderen schenken, meldde hij….’
Verder kwam hij niet, mijn voorgevoel bleek juist.
Afschuwelijke geluiden vulden plotseling de keuken. Huilende baby’s, waanzinnig gelach, weeklagende vrouwenstemmen. Ik viel op mijn knieën, mijn hoofd op zijn schoot waar hij zijn ijskoude handen over mijn oren legde. Ineenkrimpend huiverde ik van angst voor de dikke mist, die vervloekte mist.  P trok me rechtop, zijn hoofd geheven prevelde hij sussend mijn naam. Lijkbleek staarde hij,  maakte vreemde tekens, het geluid zwol aan in een laatste crescendo,  nog meer tekens maakte hij, onophoudelijk tot de kakofonie afnam. Langzaam wegstierf met een helse uitschieter, op een paar doorzeurende tonen na.
Ademloos, dicht tegen elkaar als één harteklop, keken we toe hoe de laatste dampen wervelden, de grijsheid verflauwde onder zachte mineuren. Een kleine hoge noot zuchtte, als een verontschuldiging. Toen was het stil.
‘Het is voorbij’.
‘Ja.’

Ik voelde de verandering in P.  Zijn levendigheid, de blijdschap waarmee hij me kuste, het gemak waarmee hij het eten negeerde. Het ontroerde me, ons spel was oneindig zoet.

‘Ga je mee fietsen? Naar het bos?’
Onderweg spraken we niet, elkaars nabijheid was voldoende.
Alles klopte. De vlinders in mijn buik, het weeëe gevoel wanneer hij naar me keek, zijn onpeilbare tederheid,
Voor het eerst begreep ik wat het betekende van iemand te houden.

Serie. Een nieuwsgierige man.

Er was eens een man, zo vreselijk nieuwsgierig dat hij  met open ogen sliep om maar niets van de nacht te hoeven missen.
Vaak maalden zijn gedachten: heb ik echt alles aan iedereen  gevraagd, kreeg ik alle antwoorden, waarom weet ik dat niet meer. Ten lange leste sliep hij ongeweten vreemde chaotische dromen in en uit.
Meteen na het opstaan kocht hij alle kranten, las ze tot de laatste letter en schreef brieven naar vragenrubrieken. Daarna trok hij  eropuit. Voorheen met de bus maar sinds hij de chauffeur te lang ondervraagd had over motorvermogen, stuurinrichting,  afstand tussen twee haltes, voornaam van diens vrouw, kleur van zijn hemd en nog veel meer, mocht hij niet meer mee.
Overigens waren de straten uitgestorven daar iedereen wist dat hij er aankwam, hooguit ontmoette hij een onnozele zwerver en die wist in de regel niet veel.
Aan de huisarts vroeg hij hoe de assistente heette en met welk mes wratten werden weggesneden en hoe hij het scherp hield. Tot de dokter hem buiten zette.
Bij de burgemeester wilde hij weten waarmee het ambtsketen werd gepoetst en hoe vaak, of het niet te zwaar was om mans nek tot hij ook daar werd weggejaagd. Hij deed zijn beklag op het politiebureau, vroeg naar een wet die burgemeester en huisarts zou verplichten transparante antwoorden te geven en vond de wachtmeester ook niet dat de koning moest worden ingelicht?
Toen hij tenslotte drie dorpen verderop gedumpt werd  waar de inwoners hem met dezelfde vaart terug brachten wist hij nog steeds niet genoeg en vroeg aan iedereen waar hij de onvriendelijkheid aan verdiend had.
Zo zeurde hij zijn leven door.

Mist 20

‘P, snap je dan niet dat het op mij levensecht overkwam? Ik beschouw jou als een kenner van bosbewoners, dus nam ik dit letterlijk.’
Berouwvol nam hij me in zijn armen. ‘Arme meid. De kwestie is dat aanvallers angstaanjagende beelden bedenken waarvoor we vluchten of ons overgeven. Ze zijn realistisch en vaak luguber, tegen beter weten in maken ze ons bang.’
Ik huiverde.  Hij verontschuldigde zich nogmaals en dacht na. ‘Toch verbaasde die  weerwolf me, ik had niet gedacht dat er nog zoveel energie aanwezig zou zijn. Maar,’ klaarde hij op, ‘het feit dat ik de beelden al sneller weet te verjagen is een goed teken. En ook dat ze ons minder lijken te achtervolgen.’
Al met al klonken zijn verklaringen niet slecht.
Fantastisch, dat wel, als een magisch sprookje, gesitueerd in de eenentwingste eeuw. Interessant maar toch: een sprookje.  Met vreemde verschijnselen.
Was ik zo verliefd dat ik alles geloofde?
Slachtoffer van een verborgen camera in een film met morbide trucages? P was knap genoeg om voor filmster door te gaan.
Dit geloofde ik niet, was tante Petri niet zelf komen aanzetten met P of zou zij in het complot zitten?  Een belachelijk idee, ik werd zoetjesaan psychotisch.
P kneep in mijn arm  ‘Hallo, ben je er nog? Denk je na over de eigenschap die jij ook bezit?’
‘Maar,’ vroeg ik me af, ‘waarom merk ik daar zelf niets van?  Is dat niet vreemd?’
‘Lang niet alle paranormalen zijn zich van hun gave bewust. Als ik niet verliefd op jou was had ik het je ook niet verteld.’
Zozo. Kon hij niet van me houden zonder die poespas?
Voordat ik opnieuw zou piekeren wijdde ik me aan het eten.
– Liefde is blind-  luidt het adagium, zeer zeker maakt het ook hongerig.
We aten als wolven, een vergelijk dat me grappig voorkwam. Met een ggggrrrr stortte ik me op een broodje en hapte met ontblote tanden. Hij kon er niet mee lachen.
‘Ik kan je beter de rest vertellen,’ zei hij gauw,  bang dat ik hem niet ernstig meer zou nemen.

Obstinaat

Dat ben ik nu.

‘Dwars’ kent  veel woorden   geen van alle sympathiek maar ik zit ermee opgescheept.
Ik wil niet opstaan.  Niet blijven liggen.
Een sneeuwstorm, op klompen lopen, a-politiek blijven, Trump en Erdje uitschelden, goede raad, geen bemoeials, ander telefoonnummer, meer zon, minder zon, zomertijd opschuiven, nieuwe fiets, zomertijd vorige week, boom rooien, stoep verleggen, krant de deur uit, Privé lezen…
Pfff, ik word er doodloof van.
Eerst een uurtje naast de zon zitten.