Over complottheoriën

Goedgelovigen en dergelijke verlichten,  ze zijn er altijd en beschuldigen anderen juist van naïviteit.
Enkele voorbeelden.
Een club van mensen die blijven volhouden dat  de-aarde-is-plat-is
Lui die denken dat de ruimte gemanipuleerd wordt, zie haarp
Die zeker weten dat er aliëns bestaan
Die nog steeds niet geloven dat we op de maan waren
Dit zijn de meest bekende complotten maar er zijn er veel meer, elk met hun eigen volgelingen.
Veelal vermakelijk.
Toch, als je de lijn doortrekt naar een kleine omgeving is het minder leuk.
Stel je eens voor.
Iemand verdenkt een klasgenoot-buurman-clublid van misdragingen  en/of malversaties met de kas, om een uiterst fragiele reden,  klopt dit op en ziedaar, een geloof is geboren. Dat noemen we opstokerij, laster, kwaadaardige jaloezie, you name it.
Daders groeien  hierin, zwelgen van eigen belangrijkheid en doen veel moeite om hun kennis aan de man te brengen, ‘zie je wel?’
Echter, in wezen is het hetzelfde als een complot: een eigen bewijs plaatsen tegenover  onderbouwde resultaten.
Er zijn politici die handig gebruik maken van deze strategie en goedgelovigheid.
Onder een andere naam, geen complot of opstokerij, dan heet het  ‘realistiscch denken’.
Maar dat is een ander hoofdstuk.
=

Advertenties

H en M

Het valt me altijd op bij dit stel.
Dat hun profielen op elkaar lijken, neus en mond.
Of het belangrijk is weet ik niet. 🙄

Vlees noch vis

Een bekende uitdrukking voor iets onduidelijks.
In dit geval gaat het om mijn voornemen om beide niet meer te eten. Zuivel gaat eveneens in de ban.
En ook het gebruik van delen van dieren; weg met leren schoenen en riemen, eruit met het bankstel en luie stoel. Geen Chinese cosmetica en wat ik nog meer tegenkom.
Kwestie is  alleen dat ik niet weet welk voedsel absoluut diervrij is. Hier in de omgeving is de varkensgeur soms zo penetrant dat alle akkergewassen waarschijnlijk  knorrend de grond uitkomen. Die komen dus niet aanmerking.
Sperciebonen en andere groenten uit ht Middellandse Zeegebied schijnen royaal bespoten te zijn, dat wil ik ook niet eten. Jammer want ze smaken erg goed.
Noten, pinda’s, zaden en rijst en dergelijke moet je maar net lusten. En daarvan de herkomst weten, stel dat er arme mensen zich hebben krom gewerkt om mij aan het eten te houden. Het idee beneemt je de trek.
Nu dacht ik aan waterijsjes en snackpinda’s, rozijnen in een chocojurk en chips. Daar zou ik een poosje op kunnen leven als ik er gezond bij bleef. Maar dat is niet zo zeker.

Wat blijft er eigenlijk over zonder in eentonige peulvruchtenmaaltijden te vervallen? Fruit? Teveel suiker en niet mijn smaak.
Eetbare bloemen? Ik zie de wilde rucola tussen de tegels, jèk, ik lust de tamme niet eens.
Molsla? Brandnetels?
Aanvullen met vitamine- en kriltabletten? De klank alleen al.
Ik denk dat ik het maar bij gras houd, van dat wilde taaie spul dat niet uit te bannen is, hoef ik meteen niet meer te schoffelen.
Met wat plantaardige olie en eerlijk zout wordt het misschien gaar en smakelijk.
Ga ik gezellig op mijn nieuwe houten luie stoel zitten smikkelen.
Met de voeten omhoog, de houten klompen ernaast.
Zodra ik kan loeien laat ik het weten.
==

Buiten

Schuttingen en stenen muren zijn over het algemeen niet echt mooi.
Als fervent buitenzitter wilde ik ze iets aantrekkelijker maken, en richtte een klein gedeelte anders in,  meer leefbaar.
Luxueus is het nooit geworden, dat was ook niet de opzet.

Echtgenoot zette voor de zijkant een houtscherm van 2X2 meter, de andere zijkant is baksteen. De breedte ongeveer 4 meter.
Golfplaten met gootje erboven. Klaar.
Klimop er tegenaan.
Naast de tuintafel heb ik er een oude rotan bijgesleept, het panterkussen in de luie stoel gelegd, een Actionprent opgehangen en oude vliegenslierten om de passiflora in te tomen die ik af en toe moet bijknippen, hij is nogal druistig in zijn groei.

Toen ik er de afgelopen zomer (bijna) sliep werd dit fotootje gemaakt dat me vanmiddag pas onder ogen kwam.
Zonder gezicht maar de houding verraadt hoe zalig ik er zat, in mijn eigen minibuitenhuis.
==
ps
De achterkant bestaat grotendeels uit tuindeuren.
Die laat ik niet zien, ik lap de ramen niet elke week.

Spijt. Mini-essay.

Het hebben van spijt is verloren tijd, las ik ergens
O ja? Dan ben ik veel tijd kwijtgeraakt en er zal nog wel meer  bijkomen.

De vraag werd hier en daar op tafel gegooid.
‘Hebben jullie wel eens spijt van het een of ander?’
De antwoorden waren niet altijd duidelijk. Begrijpelijk, het impliceert  dat je iets verkeerd hebt gedaan en om dat openlijk te bekennen valt niet mee.
Angst voor (ketting-)reacties met hernieuwde ruzie speelde ook een rol, ik maakte het mee.
Doodjammer, het zou menige broer-zusverhouding verbeteren als je openlijk spijt kon betuigen en daarmee de lucht klaarde. Het zwijgen behoort tot het rijk van familiegeheimen, een roman waardig. Dat is dan weer een voordeel vooropgesteld dat iemand het boek zou schrijven maar dan komt spijt te laat.
Nu kwamen we zelden veel verder dan algemeenheden.
Ja, natuurlijk, jij niet?‘ en bekentenissen over een schop naar de kat of ‘dat had ik die agent niet moeten zeggen’ en dergelijke.

Onherroepelijk kwam daarna een ander soort spijt ter sprake, hoe men rijkdom is misgelopen, of goede banen, of een diploma. Meestal werd hiermee aan goede karaktertrekken gerefereerd hetgeen de spijt in een gunstig daglicht plaatste.
‘Ik was te bescheiden’ ‘te netjes’ ‘miste de brutaliteit’ ‘niet chic genoeg’.
Maar soms, heel soms, zei iemand iets als ‘ik heb nergens spijt van‘.
Een bekende zei het ronduit: ‘natuurlijk was ik soms fout maar het is geweest. Jammer maar moet ik daar bij stilstaan? Het leven gaat door.’
Daar ben ik jaloers op, ik wilde dat ik zo kon denken.
Het zou me zoveel tijd opleveren.
=

.

Verhaal halen


Vanmiddag zag ik een onderwerp waarvan een verhaal te maken was..
Hè ja, dacht ik. Precies goed voor een weblog.
Ik bedacht er van alles omheen, vakantie, buitenlandse achtergrond, zonnewarmte, lekker actueel.
Maar.
Nu zit ik aan de laptop en is het verhaal weg.
Ik pieker, waar ben je nou? klaag ik.
‘In je hoofd,’ seint het, ‘en daar blijf ik voorlopig.’
Neeeeee, een verhaal met een ego, waar heb ik dat aan te danken?
Ik hoor een denkbeeldige zucht.
‘Je moet niet denken dat ik op bevel tevoorschijn kom. Ook onderwerpen en verhalen hebben recht op een eigen wil.’
Zozo. Eigen rechten.
‘Waar en van wie heb je dat gehoord?’ vroeg ik.
‘Eh, dat leeft al langer onder ons.’
Ik dacht na.
‘Ben je soms bij een adviseur geweest? Banencoach? Advocaat?’
Stilte.
‘Nou,’ drong ik aan.
‘Je snapt toch zelf wel dat ook wij iets te zeggen hebben?’ Verdedigend.
Ik zweeg, kon niet direct de juiste woorden vinden.
Triomfantelijk gelach klonk op. ‘Had je niet gedacht he? Zomaar een verhaal oppikken, dat kan niet meer.’
Toen had ik hem.
‘Nee,’zei ik,  ‘ik verzin er zelf wel een.’
==

.

Overdenken. Over denken.

Heb jij niets te doen?
Jawel, dat zie je toch.
Wat dan?
Ik denk na.

Het was een typische ouderwetse moedervraag. Die ik -onnadenkend- zelf ook wel eens stelde.
Meestal werd het antwoord niet serieus genomen, niet erkend en vaak ook niet herkend.
Het werd niet overal aangemoedigd.
‘Denken laat je maar aan mij over.‘ Of aan een paard , de kat, vul maar in.
Op school kreeg je te horen dat je zat te dromen, terwijl je in werkelijkheid in diepe gedachten verzonken was.
Op je werk mocht je alleen denken als het goed was voor de baas, efficiency en zo, of hoe de lopende band sneller kon.
Voorstanders bestonden natuurlijk ook, er waren ouders, onderwijzers, chefs, professoren, handige verkopers en anderen die het denken wel degelijk bevorderden. Tenminste, dat hoopte ik.
Nu denk ik dat er niets veranderd is. Dat nadenken nog steeds een dubieuze aangelegenheid is.
Het word niet altijd begrepen.
Een nadeel van denken is dat het zo onzichtbaar is.  We hoeven er niet bij te gaan zitten als Rodin’s beeld maar een kleurtje of een ander duidelijk kenmerk lijkt me handig.
Diepbeige, interessant roze, licht purper. Daarmee geef je tevens het sóórt denken te kennen. Aan de kermis bijvoorbeeld, blauw met sterretjes.
Een diepe denkrimpel in de vorm van een vraagteken lijkt me ook wel wat. Doet intelligent aan, net of je echt denkt.
Je ziet meteen: hier werkt een brein.
Een ernstige gezicht is niet genoeg. De meeste politici kunnen dat opzetten maar het is geen garantie voor een denkvermogen.
==

Brabo. En de vrouw?

Geen vraag van wereldbelang, ik vraag het me zomaar af.
Wat is de vrouwelijke vorm.
Als een Brabander een Brabo wordt, hoe heten wij dan?
Brabesse? Brabine? Brabse? Brabones? Brabegge?
Daar hoor je nooit wat over.
Wijlen (Brabantse) echtgenoot wist het ook niet.
Hij hoorde het woord Brabo niet graag. Hij vond het een scheldwoord maar dat zei me niets, als import heb ik niet het precieze bloed,  zuidelijke trots ontbreekt me al moet ik zeggen dat ik hier heel snel het bier heb leren waarderen. En koude schotel.
Navraag bij Wikpedia leverde iets heel anders op.
Ene Silvius Brabo was een Romein die de reus Antigoon doodde en het symbool van de stad Antwerpen werd. Zie
https://nl.wikipedia.org/wiki/Silvius_Brabo
Daar wist ik niets van.
Ik denk niet dat deze Brabo bedoeld wordt. Als een soort held. Het idee. Ha!

In mijn vroegere woonplaats was een vrouw veel makkelijker te benoemen.
Je was een Zaanse. Meer niet. We hoefden ons nooit het hoofd te breken over vreemde  vragen.
Nou ja, er waren mannen die het over Zanikkers had maar zulke zeveraars vind je overal. Er zijn zelfs Brabanders die hun vrouw een zanik noemen terwijl ze niets van de Zaan afweten. Daar zijn het mannen voor.
Al typende hoopte ik op een oplossing maar nee.
Het blijft een raadsel of zijn we daar vrouwen voor?
==

Huisdieren en eigenaren


Er liep een man met zijn hond aan de riem. Ze lieten elkaar uit. Woordeloos, elk  begreep de ander.
Even verderop wandelde een hond met zijn man. Ook zij lieten elkaar uit in zwijgend  begrip.
Toen de stellen elkaar tegenkwamen groetten ze allen beleefd, een knikje, een grom.
Ze waren gewend aan dooreengelopen identiteiten.
Tot zover de praktijk van honden en baasjes die op elkaar gaan lijken, ze merken het verschil niet meer.
Daar kwam plotseling een kat te voorschijn, hij leidde een vrouw.  Uitdagend, sjiek riempje om haar nek, zachtleren handlus tussen de tanden van de ander.
Honden en mannen keerden zich en bloc van hen af. Walgend.
‘Jaloerse krengen,’ mompelden ze.
==