Huisdieren en eigenaren


Er liep een man met zijn hond aan de riem. Ze lieten elkaar uit. Woordeloos, elk  begreep de ander.
Even verderop wandelde een hond met zijn man. Ook zij lieten elkaar uit in zwijgend  begrip.
Toen de stellen elkaar tegenkwamen groetten ze allen beleefd, een knikje, een grom.
Ze waren gewend aan dooreengelopen identiteiten.
Tot zover de praktijk van honden en baasjes die op elkaar gaan lijken, ze merken het verschil niet meer.
Daar kwam plotseling een kat te voorschijn, hij leidde een vrouw.  Uitdagend, sjiek riempje om haar nek, zachtleren handlus tussen de tanden van de ander.
Honden en mannen keerden zich en bloc van hen af. Walgend.
‘Jaloerse krengen,’ mompelden ze.
==

Advertenties

Over parfum

Gelezen, ooit, ergens:
‘parfumeren doe je op de plaatsen waar je het liefst gekust wil worden.’
Mooie gedachte, overbekend maar je leest het zelden.
In de uitgaansjaren besprenkelde ik me van top tot teen met eau de cologne (parfum was te duur). Niet om zoenen te vergaren. De goedkope geuren vervlogen zo snel, ik hoopte dat er een vleugje bleef hangen.

Nogal wat jongens zeiden een hekel te hebben aan parfum.
Dat was stoerdoenerij, een overblijfsel van hun kleine-kindertijd waarin ze niks van meiden wilden weten. Ondertussen hingen ze om het meest bedwelmende meisje heen, gedrogeerd door de zware dampen. Dat wisten ze zelf natuurlijk niet. Wij wel.
Een paar keer had ik bedacht om iets stinkerigs mee te nemen, een flesje azijn of zo, om vervelende jongens af te weren. Dat plan voerde ik nooit uit, de lucht blijft te lang hangen en het zou de jonge goden ook weghouden.

Later leerde ik echte parfum kennen. Duur maar fijn. Op verjaardagen kreeg ik kleine flesjes tot er een zwaarverliefde vrijer kwam die me een fles overhandigde van zowat een kwart liter. Zo leek het door de royale verpakking, een soort margarinedoos . Enfin, ik was er blij mee.

Na de verloving minderde het parfumgebruik.
Niet alleen hoefde ik niet meer te hengelen, hij bracht ook die grote dozen niet meer mee.
Maar af en toe kochten we wel eens een flesje voor elkaar. Hij mijn parfum, ik zijn after shave.
Dan verzonken we in verstikkende geurenwolken waarbij het niets uitmaakte waar we het opdeden.
We dachten niet aan kussen.
Eerst hond en kat redden die voor pampus lagen, happend naar adem.
Dieren kunnen niet veel hebben op parfumgebied, we kochten ze dan ook niet meer.
Zonder dieren valt heel goed te leven.
==

Feestdagen


Carnaval hebben we gehad, Pasen nu ook, koningsdag. Pinksteren volgt nog   voorafgegaan door Hemelvaart, daarna Bevrijdingsdag en dan zijn de feestdagen voorbij.
Nou ja, vader- en moederdag, kermisen, hier en daar een jubileum daargelaten. En die ik vergeten ben.
Tot Sinterklaas, Kerstmis en jaarwisseling.
Toen ik klein was hoorde men overal aan mee te doen. Niet wettilijk, wel uit gewoonte en zéker voor een kerk.
We feestten er wat af.

Als kinderen keken we er naar uit: lekker eten, ijsjes, limonade, fijne koek, kadootjes, opgewekt stemming.
Dat laatste was niet altijd zo zeker, de verveling sloeg toe op tweede kerstdag. Slecht paasweer was ook geen pretje. Voor de groten hoefde het allemaal niet behalve Pinksteren, dat duurde  drie dagen en eindigde met kermis in Jisp.
Maar onze moe was een aartsoptimist en we kwamen de tijd door zonder al te grote onvredes.

Langzamerhand werden we het beu. Veel mensen deden er niets of weinig meer aan. Voor de pastoor kwam je je bed niet uit, Kerstmis en Pasen werden meer en meer korte vakanties of tripjes.
Alleen voor kinderen verzon je nog wat tot ze stonden te trappelen om te gaan stappen na het dessert.
Het was een opluchting, vooral voor echtgenoot. Hij haatte het opzitten en verplicht thuisblijven en zijn riem een gaatje losser te moeten maken.
Hier is het rustig op het feestfront. Nog steeds zet ik (meestal) de kerstboom. Voor mijn eigen plezier. Afbreken pleziert me nog meer.
Wie op feestbezoek komt krijgt koffie met gebak, een biertje of iets anders. Eten doen we met een klein ploegje of in een restaurant.
De meeste bijzondere dagen gaan bijna geruisloos voorbij.

Rondkijken op  de kermis is gezellig, met een vriendin markten afstruinen is nog gezelliger, af en toe een muziekavondje, en meer van dat. Stukken beter dan gedwongen vieringen.
En een biertje of lekkere hap lust ik thuis ook wel.
Straks, bijvoorbeeld.
==

Foto

De nieuwe kopfoto is een oudje, ik krijg hem met alle filters niet helderder.
Maar het is duidelijk:  kauwen hadden hier hun verzamelplaats.

Achtertuintje

Het is al weer te droog.
Knolletjes en zaadjes die ik in de grond stopte besproei ik licht.
Te vroeg, volgens een kennis, gezaaid vóór de IJsheiligen kunnen ze bevriezen.
Daar trek ik me niks van aan.
Ervaring doet ook wat. Ik weet dat het gros -en meer- ontkiemt.
En nog wat. Hebben de ijsheiligen nog iets te zeggen met de klimaatveranderingen? Zijn ze nog wel geldig? Ik betwijfel het. De verhalen van ‘in juni bevroren de poters nog’ dateren altijd van vroeger.
Hoe dan ook.
Ik wacht op groene puntjes in de achtertuin, met argusogen zoek ik dagelijks maar niets komt de grond uit.
Hier en daar een spijtig grassprietje dat sorry zegt.
Het is te vroeg, houd ik mezelf voor, over een maand wanhoop je door het oerwoud van wildgroeiende bloemen en planten.
Wat heb ik aan die gedachte?
Ik kijk ze NU de grond uit. Daar besproei ik ze voor. Ik bid voor ze en duim, smeek desnoods.
Wat willen ze nog meer?
Zelfs wildgroei verwelkom ik.
==

Voorraam


De fleurige bloempotjes en -emmertjes in de rommelwinkels stonden me wel aan.
Ik zette ze her en der neer tot het verveelde.
Weggooien kon niet, ik verplaatste ze naar een lege plank. Stond best aardig, al die felle kleurtjes. Af en toe kocht ik er een bij tot de plank vol was.
Toen zag ik mensen stilstaan en naar ons raam wijzen.
Het duurde even voor ik begreep dat ze naar de bloempotjes keken die op de lege plank stonden, de vensterbank.
Echtgenoot lachte er om dus liet ik ze staan.
Nu heeft de zon ze verkleurd en is het een fletse bedoening geworden.
Maar ja, de rommelwinkels in het dorp zijn verhuisd naar verderopse plaatsen. Daar komen we niet vaak.
De kijkers zullen het met deze moeten doen.
Ik ook.
Waar een mens al niet door geplaagd wordt.
-=

Nog een erfstuk.


Alweer een boek, uitgegeven in 1976.
Het is uitgesproken technisch, de bladwijzer zit bij een abracadabra-pagina.
Een soort toverspreuken.
De vraag is ook nu:
wat moet je er mee.
Dumpen bij Arendsoog en P.Pandoer in de oudpapierdoos?
Toch jammer, het was van een broer die motor reed en het redelijk zuinig bewaarde.
Hij hield van deze techniek, voor hem was dit  boeiend leeswerk.
Terug in de kast maar weer, bij de foto-albums met
opoe en oude tantes die niemand meer kent.

Ergens zag ik dit boek te koop staan voor € 40.
Oorspronkelijke prijs: fl 4,95.
Interessante groei.
Als ik nog even geduld heb word ik miljonair.
Dan trakteer ik op taartjes en een motorritje,
weer eens wat anders dan een Solex.
Er is vast wel een bedrijf waar je zoiets kan bestellen
en anders koop ik er zelf een en mogen jullie achterop.
Strak plan?

 

 

Nog even

Allen hartelijk dank voor het medeleven.
Antiek gezegd: het doet me deugd.
Anekdotes over broer te over maar die zijn voornamelijk mooi voor onszelf, ze klinken niet goed wanneer je ze gaat opschrijven..
Nu zie ik een triple A, nooit geweten dat emotie tot alliteratie zou leiden. Goed zeg,
al doende leert men.
Morgen ga ik verder met bloggen.
Tot dan.

Bevlogen

Halverwege het tuinpad zwermden al kleine mugjes of is het muggetjes? Of vliegjes?
Dat zie je soms al in februari zodra de vorst weg is.
Ik vraag me vaak af wat ze doen behalve samenscholen. Paardansen? De polka? Nieuwtjes uitwisselen?
Is de ene plek beter dan de andere?
Het tuinpad is een strategische plaats, weten ze dat ze in de baan van een mens vliegen? Wat willen ze van je?
Dit vraag ik me niet voor niets af.
.
Lang geleden wachtte ik op de bus.
Het was een warme zomeravond en stil, zoemgeluiden voerden de boventoon.
Ik was te vroeg en leunde suffend tegen de halte.
Plots kwam het gezoem naderbij en ik stond zomaar met het hoofd in een zwerm minivliegjes. Ik schudde en zwaaide, het hielp niet.
Heen en weer lopen ook niet.
Geërgerd wandelde ik verderop. Ze zwermden mee, almaar rondom mijn hoofd.
Ze deden me niets maar het was een rotgevoel het middelpunt te zijn van zoiets.
Ik keek naar de weg of ik een bekende zag in de hoop dat een praatje ze zou verjagen.
Niemand te zien.
Te worden bevlogen, het leek een sf-film in miniatuur.
Eindelijk kwam de bus.
Daar werden ze door afgeschrikt, ik kon ongevleugeld instappen.

Toen ik ze vanmiddag zag bleef ik binnen.
Wie zegt me dat ze geen oergeheugen hebben en me nog herkennen of ruiken of wat dan ook?  Als dat mens dat niets van ze wilde weten?
Ik vertrouw ze voor geen cent.
==