Stormachtige herinnering.

Er stond een stevige zuidzuidwesten wind.
Fijn, dachten we, lekker uitwaaien op de fiets.
Zolang we nog in het dorp reden ging het inderdaad lekker, buiten de bebouwde kom echter werd het menens.
We trapten en trapten, we kwamen nog geen vijftig meter per uur vooruit, na een kwartier hadden we tien meter afgelegd. Dat is niks, begrepen we en stopten om beraad te houden.
Gelukkig stond er een bosje in de berm zodat we windvrij konden overleggen waarbij we een grote paddestoel gebruikten als ronde tafel.
Wat doen we?
a. we gaan door;
b. we gaan terug.
c. we blijven zitten waar we zitten en verroeren ons niet.
Unaniem werd op punt a gestemd.
We reden weer even maar toen was daar de open vlakte, een kei- en keiharde ervaring.
Eerst woeien onze krullen eruit.
Toen de haren zelf.
Daarna hielden de knopen van de jassen het niet meer zodat we ze achterstevoren aantrokken.
Bel, snelbinders, koplamp, alle aanhangsels werden door de wind meegenomen, ze stuiterden tussen de maïsstoppels. Het was maar goed dat we zelf nogal stevig waren.
Moe, kaal, chagrijnig en met een berooide fiets kwamen we bij een koffiehuis waar we melk dronken en krachtvoer aten hoewel we te moe waren om er van te genieten.
Gedesillusioneerd keerden we huiswaarts.
Daar fleurden we helemaal van op, het was geweldig.
De storm schoof ons telkens een paar kilometer vooruit, het ging zo vlug dat we nog net op tijd waren om onze uitgekrulde haren op te pikken voordat een reiger er mee wegvloog en geloof het of niet, binnen tien minuten waren we thuis. Echt.
Het was al met al een leerzame tocht:  voortaan gaan we met het vliegtuig heen en met de fiets terug.

Advertenties

Fietsen in mist

Dat we verdwaalden was ergerlijk..De kleine stukken bos tussen de plaatsjes kenden we als ons eigen erf, veel groter dan een paar vierkante kilometer waren ze zelden en dan nog, er stond altijd wel ergens een schuur, of wat vee in een klein bosweitje, als herkenningspunten. Nu echter was het licht uit.

Een kleine 10 km voor ons dorp was de weg afgesloten. Wegwerkers weigerden ons door te laten.
‘Geeft niks, zei man, een stukje terug is een bospad langs de oude belt. Kom op.’
Ik aarzelde, het was zo nevelig. En dan de vele regens van de laatste dagen,  waarschijnlijke glibberige paden, nergens  een lantaarnpaal…
Hij sloeg al af, ik volgde.
Bij de eerste bocht stopte hij; ‘zet je licht maar aan, de mist wordt dikker.’
Verderop kregen we inderdaad gladde grond met kuilen. Weinig zicht en een naargeestige stilte die koud aanvoelde. Na veel lange minuten stopten we weer. ‘Vreemd.We hadden al op de grote weg moeten zijn.’
Over teruggaan durfde ik niet eens te denken.
Plotseling reden we tegen een planken hek. Er klonk een kletsende stap. Ritsel. Een raspend veeggeluid, vlakbij. Pfffff, een schurkende koe maakte ons niet bang.
We aaiden het beest -op gevoel- en gingen stapvoets verder langs het hek en warempel, we voelden straat.
‘Nu zijn we zo thuis,’ troostte hij.
Maar, wat raar, tussen de dichte mistflarden blonk water. Nogmaals stapten we af en keken naar de berm waarvan we een klein randje zagen.Vanaf dat randje was het nat. Hier moest toch een maïsstoppelveld liggen, was dat helemaal ondergelopen? We geloofden niet wat we bijna zagen, we vielen stil.
De andere wegkant was te mistig om te herkennen.
Voorzichtig fietsten we, het water langs de berm angstvallig in de gaten houdend, op wat ons het midden van de weg leek.
En kwamen eindelijk bij een bekende kruising.
De mist trok op, de schemer was een verademing.
Later, bij helder weer,  reden we hetzelfde pad op, benieuwd waar we de weg kwijt raakten.
We konden het niet vinden.