exhibitionisme

Einde van een carrière.

De man twijfelde.
Bruine winterjas? Zwartleren? Of toch maar de regenjas?
De laatste was het meest geschikt maar niet warm genoeg, dan had hij helemáál niets meer over. Hij was al geen held en als er ook nog weinig te zien was, om je dood te schamen. Nog hoort hij de stemmen die hem bespotten, ‘zal ik warm water halen? Dan groeit ‘ie wel,’ er werd gelachen, keihard.
Met veel geluk had hij weten weg te komen, bijna huilend van ellende bereikte hij de auto. Thuis was hij ver onder het dekbed gekropen, de afgang was te groot geweest. Hij stopte ermee, zwoer hij.
Na een paar weken echter drong de noodzaak zich weer op, hij kon er niets tegen doen en besloot nog één keer te gaan. Om het af te leren, hield hij zichzelf voor. In de zwartleren ditmaal, dat die weinig opviel kon hij verhelpen door luider te roepen. Hij oefende, ‘psssst… PSSSST’.  Niet slecht, dacht hij.

Lang hurkte hij tussen de heggen van een woonwijk, voorzichtig loerend, beducht voor groepen jongens. Pas toen hij een oudere vrouw zag ging hij staan met zijn jas wijd open. ‘Psst, kijk es…’
De vrouw stopte, keek om en riep ‘Is daar iemand? Ik heb mijn bril niet op ziet U, bent U Uw kat kwijt? Poespoespoesie, poessss.’
Verslagen knoopte hij de jas dicht, mompelde een bedankje en schoot weg.
Dit was het definitieve einde, wist hij. Hij had slechts een potloodje, hij werd niet eens gezien.
Met hangende schouders slofte hij naar huis.
Schlemielig.