Opschepperij

‘Doe de bessensap, suiker en eiwitten in een kom en klop alles stijf; dien de Haagse bluf direct op.’
Eenvoudig en snel.
Het was te vroeg, de kom ging in de koelkast, afgedekt met een theedoek.
Na een kwartiertje controleerde ik of het gerecht niet inzakte.
Integendeel, de bluf was gerezen tot een berg, de theedoek hing geplet tussen de berg en het bovenliggende rek. Verbluft zette ik de kom op de aanrecht en bekeek het spul. Het trilde en groeide zichtbaar. Het zag er raar uit, enfin, ik schraapte alles in een grotere kom.
Het bleef rijzen.
Het werd te groot, paniekerig propte ik de bibberende boel in een vuilniszak en zette hem buiten neer. Dan maar geen dessert.

Het werd donker, vreemd, zo vroeg al?  Ik keek naar buiten en geschrokken zag ik de ramen bedekt met een rose-witte wolk. Het gaf geluid.
Bewegend, pulserend met een grommend slagwerk, laag, diep, als van een kwaadaardig hart.
Angstig liep ik naar de andere ramen en ja, ook daar rukte de massa schuimend op.
Ik werd ontzettend bang maar durfde niets te doen, vreesde de vreemde schemer.
Midden in het huis staand keek ik rond, er moest iets gebeuren. Ik kon me niet bewegen, mijn god, zag niemand dat er wat mis was, waren alle buren soms doof? Ik riep nieuwe goden aan en bad al hun gebeden
De bluf was inmiddels zilverig en kreeg een vreemde kleur, het leek een buitenaardse dimensie en het aanvankelijke gebrom ging langzaam over in een scheller geluid, nog steeds regelmatig maar luider, het ging gestadig door en ik bestierf het tot ik plots, razend van angst, de deur open gooide teneinde een halt toe te schreeuwen aan… wat? wie?
Stilte, er bewoog niets.
De vuilniszak stond stilletjes op de stoep.
Het was bluf.

Advertenties

Warm eten

Rond vijf uur liep ik door de straat.
Etenstijd, een feestje van geuren.
Bradend vlees, ergens stond soep op het menu, verderop nasi of bami en ik denk snert te hebben geroken. Niet alles kon ik thuis brengen, het was allemaal verleidelijk.
Het maakte hongerig.
Ik dacht aan het broodje dat me wachtte. Is ook smakelijk maar met een hoofd vol lekkernijen kwam het me armzalig voor.
Watertandend, kwijlend bijna hield ik mezelf voor: waarom zou ik niet nog eens koken? Wat was er mis met tweemaal op een dag warm eten, het lijkt me juist gezond. Een schaal verse groente en aardappelen met donkere jus, misschien wat extra’s erbij, rijst met kip? Soep?
Zo liep ik met mijn gedachten aan eten te denken dat ik ineens in de supermarkt stond. Ik zweer je, het was niet gepland.
Toen kwam ik tot bezinning en kocht een krop sla. Voor morgen.


Hapjes

Patatje met
kalfskroket
blokje kaas
runderknakworst met mosterd
runderknakworst zonder mosterd
wortelchip
komkommerplakje
glaasje water
glaasje water met suikerklontje
1 aardbei in magere yoghurt
1 banaan
3 mandarijnen
appel-kaas prikker
kwart leverworst
kroket
patatje met.
De cirkel is rond.
Ik ook.

koken en vakantie

Schat, ga jij even naar de bakker? Het brood is op.
– Okee.. tot zo.
Ben je nou al terug?
– De bakker is met vakantie en de supermarkt is op slot.
Echt waar? Nou, dan leen ik wel wat bij de buren. – Krijg nou wat,  links en rechts zijn ze niet thuis.
– Zullen we een aardappelsalade maken? Smaakt toch ook?
Goed idee maar de piepers zijn op.
– Dan haal ik een zakje. – Barst. De groenteboer is  met vakantie…
Nou zeg, dat  valt me tegen. En de slager? Voor een biefstukje.
Ben al weg. – Nope. ik vraag me af of we nog wat te eten krijgen vandaag.
Ach wat, we hebben elkaar toch?
– Klopt,  je bent om op te eten, jammie…  maar de vettent is ècht lekker.