echtpaar·tegenzin

De groeten!

‘Zullen we?’ ‘Moet dat?’ ‘Kom nou mee, ze vraagt altijd naar je.’
Traag trekt hij zijn sloffen uit.
Zij draagt de tas, de andere hand aan zijn arm.
Hij beide handen in zijn zakken, toonbeeld van weerzin.
‘Heb je wel alles uitgedraaid?’ ‘Ja man, drie keer gecontroleerd.’
‘En de kat nog buiten gezet?’  ‘Dat zag je toch zelf.’
bus-stop-391242__340Ze kijken rond, stoppen voor een woonwinkel.
‘Mooi hè, die grote bedden.’ ‘Hm. Staat het slaapkamerraam wel open?’
Geen antwoord.
‘Zeg vrouw, dat raam…’ ‘Dat weet je toch, dat doe ik elke dag.’ Zeur niet zo, zegt haar gezicht.
‘Kom nou, straks missen we de bus.’ ‘We hebben nog een kwartier.’
Hij zucht.
Zij zucht.
‘Ik ben benieuwd hoe het met moeder is, vorige keer leek ze ’n beetje in de war.’ ‘Dat zien we gauw genoeg en kunnen we weer naar huis.’
‘Nou zeg, wat ben je weer vriendelijk. Was dan thuisgebleven.’
De bus stopt, deuren gaan open.
‘Stap nou in, ze wachten, héla, wat ga je doen??”
‘Naar huis, de groeten aan je moeder.’
==

echtpaar

Ze leefden nog lang en..

Vind je niet dat ik een raar linkeroor heb?
Verliefd knabbelt hij er aan.  -Om op te vreten.

Het valt echt op dat mijn ene wang groter is dan de ander.
Geërgerd kijkt hij op. -Doe niet zo raar, niemand kijkt naar je wangen.

Jij luistert nooit meer naar me, is mijn stem niet goed?
Verveeld slaat hij de ogen op. -Zeur dan ook niet.

Zeg eens eerlijk, word ik lelijk oud?
Stilte.
Je hoort me niet eens meer.
Snurk…
===========================
Het gaat niet goed met die keelpijn…
Ze troost. -Kom, dan kus ik het af.

Mijn gewicht stijgt, kun je gezonder koken?
-Nou zeg, eet dan wat minder.

Nieuw kapsel? Duur zeker?
Zucht. -Ja hoor.

Mijn baas begrijpt me niet.
-Wat zielig…

Die wasmand is te zwaar, denk aan mijn rug.
Stilte.
Luister je eigenlijk wel?
-Jahaah…
===

echtpaar·ziek

Als je maar lang genoeg getrouwd bent ga je vanzelf op elkaar lijken.

Hij loopt met verkoudheidsverschijnselen.  Gaat naar bed en komt er weer uit; hangt op bank of stoel en staart treurend naar buiten. Herhaaldelijk grijpt hij met grote gebaren naar de stapel tissu’s  om neus- en keelverschijnselen op te vangen die hij  met aanstootgevende gretigheid opwekt. ‘Volgens mij heb ik een zware griep, waar is de thermometer?’
Dramatisch reikt hij naar de rol keukenpapier en dept, zwaar ademend, zijn gezicht, zijn hele hoofd en nek.
Een nieuwe hoestbui dient zich aan.
‘Uchchchhgrrr, de zakdoeken zijn op, geef me een tafellaken…
ik lust wel een zacht gekookt eitje, schijnt te helpen bij griep.’

Zij loopt met een gevoelige rug. Als een plank beweegt ze naar een keukenstoel, rijst weer op en sleept zich naar de pc. Ze diept vanuit haar tenen een zucht op en rolt met de bureaustoel naar de koffiepot. Reikt, zielig, niet ver genoeg. ‘Ik kan er niet bij, help even, dank je’.
‘Wat een ellende,’ kreunt ze.
Met een lijdzaam gezicht strompelt ze door de kamer, wankelend valt ze in een leunstoel en schrikt weer overeind. ‘Au…die onverwachte bewegingen, het is vast spit. Mijn god wat word ik bezocht.’
Ze zakt door de knieën, kruipt hijgend naar de keuken; de laatste meters doet ze in tijgersluipgang.
Bij de koelkast gaat ze staan.
‘Ik kan ook wel een zacht eitje gebruiken.’