Platonisch


Het begon met een klimroosje links en een kleine druivenplant rechts.
Ze groeiden op tot knappe jongelui en bekeken nieuwsgierig hun wereld, het groen, wendden de ogen af van muren en buren, draaiden zich naar de overkant. En wat ze daar zagen…
Roos werd nog roder, druif stak wiegend zijn ranken uit, ze kwamen bij elkaar en verloren zich de rest van de zomer, een verrukkelijke periode van verliefdheid die opbloeide tot ontroering en inspiratie van alle andere planten en insecten en vogels.
Hij voelde haar doornen niet, zij had maling aan zijn oorwormen, ach, liefde is  stekeblind.
Na deze eerste uitbundige toenadering bespraken ze een nieuwe date voor de volgende lente, gehaast, voor ze in winterslaap gingen.
En zie, elk voorjaar is de zoetheid meer zichtbaar, sneller worden ze groot, vooral roos groeit zo vlug dat haar bloemen achterlopen, ze reikt en reikt en druif doet zijn best, ook hij wikkelt zijn ranken op de weg naar zijn roos.
Over een paar dagen is de ontmoeting weer daar. Dan openen zich de knoppen, trosjes vormen zich, takken krullen van genot.
Ik raak er steevast van onder de indruk.
Zo gelukkig, zonder seks.
Dat moet wel ware liefde zijn.
=

Druif en ik


Mooi druifje hè.
Zijn ogen stonden wat vreemd en het gezicht was ook niet alles maar och, dat jeukt een druif niet, meende ik.
Daar vergiste ik me in. Bij het afspoelen kwam hij telkens bovenop te liggen en keek rond.
Zelfs in de vergiet wist hij zich omhoog te werken.
Hij keek me aan.
Ik smolt.

Hij niet.
Toen zag ik dat hij iets miste en ik gaf hem een bekkie.
Hij fleurde er helemaal van op.
Ik ook, ik at hem niet op en bewaar hem tot zijn dood.
=