corona·dromen·verkiezingen

Dromen komen soms uit

Moeder weet je wat ik droomde
ik zag het virus op de sloop
verstoft, verhakt en aangevreten
verwaarloosd als een slechte koop
rondom treurden alle kenners
en bedenkers van’t complot
zij zagen roem en eer vervliegen
hun hang naar aandacht viel kapot.

===

Amerika lag in twee delen                     een part voor ied’re kandidaat
ze streden beiden naar totalen
en spraken popi borrelpraat
zo zeker van hun eigen woorden
het grijsje en de potentaat,
ach Moe, opnieuw het oude liedje
wie’t beste kwaadspreekt wint de Staat.
==

dromen·Geen categorie·lezen

Lezen of dromen

Wat is het verschil?
Kan het niet lezen èn dromen zijn?
Het is me ooit gezegd: jij vlucht in je boeken. Ik ging er niet op in, de spreker was een zogeheten kenner van psychologie.(hij las de weekendbijlage van zijn krant)
Maar het is aardig er over na te denken. En een gesprek te voeren.
Of je daar wijzer van wordt?
Geen idee, het zal me worst wezen.
Ik lees en droom lustig door. Eet er een patatje bij.
==

dromen

Verlies van dromen

Ballonvaren, dat was een van de dingen die ik had willen doen.
En parachutespringen. Surfen op oceaanrollers en windhozen najagen, autoracen en kastelen bewonen.
Eéns komt het er van, beloofde ik mezelf, samen met echtgenoot. Daar waren we van overtuigd.
Later.
Als de kinderen op zichzelf zijn.
Als we genoeg gespaard hebben of een grote prijs winnen
En na meer alsen, dan vullen we onze toekomstdromen in.
– Toen we eindelijk volwassen waren was er weliswaar een eigen huisje maar mèt een hypotheek en een schoolgaand gezin.

Aan één gedachte hielden we vast:
Later, als het goudschip binnenkomt.
Maar dat kwam ook niet,
=

dromen

Her-leven.? Nee…

Opnieuw beginnen, daar droomde ik van. Hoe, dat liet ik in het midden maar het zou absoluut anders gaan, beter, mooier, gelukkiger. Een spannend onderwerp waarmee ik suffend de lagere schooljaren doorkwam.
Toen ik ouder werd en doorhad dat ik dan ook een ander karakter nodig had voelde ik me op slag schuldig; te vaak boos en ontevreden en zo. Geen wonder dat ik niet gelukkig was
Toen ik wéér wat ouder was verlieten deze nonsens me.
Een grote opluchting.

Later vraag je je af waarom je dergelijke dingen denkt, zo slecht hadden we het immers niet, integendeel.
Niet rijk maar we kregen alles waar een kind naar uitzag, van simpele roeitochtjes op het Zwet tot uitjes naar Amsterdam. En meer.

In gesprekken met anderen hoorde ik gelijkluidende ideeën.
Dromen van de prins op het witte paard, van Burt Reynolds of Raquel Welch. Een hutje op de hei. Zeemansavonturen. Verre reizen. Hollywood.
Menigmaal moet de uiteindelijke echtgenoot/echtgenote een mager aftreksel zijn geweest.
Toch kwam het altijd goed. Meestal dan toch.
Verliefdheid deed alle dromen verdampen. Blijvend, hoopten we.
Gelukkig maar.
Het zal niet meevallen je gerimpelde wederhelft te zien als Colin Firth of Cameron Diaz.

ps
vergeef me de rare lettertypes.  Er ging iets mis en ik krijg het niet meer goed.  Volgende keer beter.

dromen·nacht·sprookje

Nachtelijk intermezzo

Het was al laat toen we gewekt werden door  Fee.
-Hè? vroeg ik al ogenwrijvend, bestaat U dan?
-Wel, je ziet het,  antwoordde ze. -Kom op, we gaan een tripje maken.
Daar waren we voor in, na de zomerhitte was een luchtig nachtje nooit weg.
-Waar gaan we naar toe?
-Naar een antispokenparty, zei ze. Daar kan je alles kwijtraken wat je bang en bezorgd maakt.
Dat wilden we wel.
We stapten in haar koets. Ze bracht ons naar een plek waar een enorme kachel in het midden stond. Roodgloeiend.
Er liepen mensen heen en weer, ontspannen rondkijkend.
-Zie je, hier is niemand bang, iedereen heeft zijn spoken en problemen in de kachel gegooid.

Ahhh, zomaar je angsten in het vuur donderen. We deden ons best.
De ene narigheid na de andere verdween in de vlammen.
Huwelijkscrises, economische en financiële, de hongerige wereld,  kinderruzies, familietrammelant, webloggriezelstories, tot we helemaal leeg waren. Ze brandden met hoge vlammen.
Wat voelde dàt goed, we werden er helemaal licht van.
Daarna gingen we de bevrijding vieren met een stevige soep.
Een koud buffet wachtte. Limonadeglazen werden begeleid door drankorgeltjes zodat we dansten als jonge godjes.
Het was fantastisch; we merkten niet eens dat de koets ons terugbracht.
Pas toen Fee het dekbed over onze schouders vlijde herkenden we de slaapkamer.
We schudden haar hand.
-Dank je wel, Fee, het was geweldig.  Tot een volgende keer?
-Komt in orde. Doei!

Het was een nacht, die je normaal alleen in fillums ziet maar dan anders..
==

dromen

Ik droomde…

… van een witte wereld.
Hij verdween voordat ik genieten kon.
Weer inslapend kwam ik in een bevroren wereld.
Die smolt als een ijsje in kinderhanden.
Ik probeerde het nog eens en droomde van mist, de allermooiste met glimmers in de heggen en slaperige koeien.
Hier had ik willen blijven maar alles verwaaide door de zoemende  ventilator die ik vergeten was.
.

dromen

Familieoord


Het is zo  mooi, ons familieoord.
Pa en moe wonen er,  schoonmoeder.
Alle broers en zussen van beider families, met wederhelften en kinderen. Ze zijn hier thuis; genieten van de zachtaardige sfeer die in de lucht hangt, van de bomen en bloemen, van de warme zonnestralen en de geur van  hoog gras die zelfs in de winter blijft hangen.
We zingen de top twintig;  bijen zoemen mee en met gemoedelijke wespen drinken we gezamenlijk uit glazen zoete wijn en eten vegetarische reebouten.
Een man passeert; hij bekijkt onze familiewoonst met duidelijk verlangen. We wenken hem.
Hij komt , kijkt en vertrekt.
Hij gelooft niet in dromen.

dromen

Dromen in eigen beheer

De nacht nadert. Dromenman loopt rondjes om het bed, hij mompelt.
Wat wil hij eigenlijk? Waarom doet hij zijn werk niet?
Zenuwachtig van zijn gedribbel roepen we ‘Schiet es op, we willen slapen.’
‘Ogenblik, ik denk na over de vakantie. Doet U maar vast de ogen dicht.’
We wachten.
Na een paar rondjes  vragen we het nogmaals.
‘ Top!’ roept hij . ‘Ik ben er uit.’
‘En? Waar gaat U naar toe?’ vroegen we.
‘Ik fiets naar de Azoren en koop me een patatje.’
‘Echt waar? Met Azoorse  saus? Jammm.’
Jaloers kijken we hem na als hij door het voorraam uitvliegt.
‘Ja’, zegt echtgenoot, ‘dan verzinnen we zelf wel wat.’
Hij visualiseert een grote pan waar op de bodem kleine aardappelen bakken en bovenin rozijnenpannekoeken liggen.
‘Goh schat, wat goed,’ roep ik uit, ‘samen doen?’
Ik bedenk er ijsjes bij en voor ieder een ontpitte mango.
Plots komt de koelkast er bij staan; hij wijst naar zijn onderste vak.
We kijken. Romige mokkataartjes knipogen naar ons, hand in hand met Vin de Rêverie en Mijmerpils,
Langzaam genietend, vervagend in de slaap, doen we ons te goed aan de overdaad.
We zijn heel goed in staat onze dromen zelf te beheren.

‘Goedemorgen,’ gapend komt man de keuken in, ‘ik weet niet hoe het komt maar ik werd  wakker met een opgeblazen maag. Raar hè?’
‘Ja, en met een katterig gevoel. Gek is dat.’