Carnaval

Het feest der feesten, volgens de liefhebbers.
Wat ik zag in de jaren zestig-zeventig, in Gelderland maar het had ook  overal in het zuiden kunnen zijn:

Er is voldoende bier en er staan liters frisdrank koel.
Grote koffiekannen zijn aanwezig.
Snert pruttelt op het sudderplaatje en worstenbroodjes liggen in de oven, een hort eieren, mik en bakboter bij het fornuis.
Mokken en glazen vooraan in het buffet.
Er kan niets meer misgaan, zelfs de juiste muziek speelt op de achtergrond.
Het kan beginnen.

Denk niet dat ik ga stappen en vannacht met een sliert zingende feestelingen thuis kom en eieren ga bakken.
Dat was niet onaardig toen we jong waren maar lang niet zo uitbundig, later sleet het eruit wat eigenlijk wel jammer was.
Dit is een voorbeeld van wat ik meemaakte bij carnavalisten-van-huis-uit, de oude hap.  Niet iedereen deed het zo, meestal was er alleen soep, of eieren, of broodjes. Bij anderen stonden deze etenswaren drie dagen eetklaar in de keuken; af en toe kwam er iemand binnen die honger had, wat nuttigde en weer de kroeg in dook.

Deze, in mijn Hollandse ogen overdreven,  gastvrijheid verdween langzamerhand. Er ging dan ook veel geld in zitten wanneer je de kosten van het stappen erbij telt.
Maar dat er veel plezier aan de dagen werd beleefd stond buiten kijf.

Advertenties

Carnavalsrust

De radio liet hoempamuziek horen. Terwijl het over vijf weken pas carnaval is.

Geschrokken zocht ik een ander station.
Begrijp me goed, ik gun iedereen een feestje, ook wij genoten er vroeger van maar na een paar jaar was de zin op.
En als je er niets voor voelt wil je de muziek ook niet horen, die is alleen te pruimen voor de carnavalist himself.

Eens, op de openingszondag, dachten we de de boel te ontlopen door een fietstocht te maken. We zochten ons heil in de Staatsbossen.
Het duurde even voor we er waren; niet alleen was het dorp zelf in feeststemming, ook de wegen rondom waren druk. Carnavalsverenigingen uit alle plaatsen vereren elkaar met een passend bezoek: de hofkapel met grote trom voorop naar de optocht. Het was lachen, dat wel. Niettemin waren we blij het bos te bereiken.
Maar ook daar hoorden we ritmisch gebonk tot in de verste paden. Begrijpelijk natuurlijk; windstil, grotendeels kale bomen en struiken, nog weinig vogels, ijle lucht die alle geluiden doorliet.
Enfin, het scheelde.
Ineens zag ik een van de dieren die daar rondstruinen, Schotse Hooglanders en andere gevaartes.  Ook dat nog, ik ben vreselijk bang van wilde beesten en vroeg me af ‘of ze niet extra woest zouden worden door de muziek, straks doen ze de polonaise met ons. Ik wil terug…
Man lachte me uit maar ging mee, we besloten koffie te drinken in een achteraf  cafeetje en daar was het stil,  er stond zelfs geen radio aan.  Geen personeel in boerenkielen.
Lampen suisden, de kastelein en een klant praatten wat.
Beetje warm, beetje rook,  een paar mensen aan het biljart.  Sfeertje!
De beste carnavalsmiddag ooit.