Bij de waslijn.

Er zoemde een bij langs de stokroos. Hij bleef rondjes draaien rondom de uitgebloeide bloemen. Na een poosje kwam hij naar me toe:
‘Je hebt slechte stokrozen, weet je dat?’
‘Hoe kom je erbij?’  Beledigd keek ik hem aan.
‘Er zit niks in,’ snoof hij.
Wat moest ik daar nou mee. Ik legde het uit.
‘Kijk, ze zijn verdord en de honing is op. Snap je?’
‘Nee. Dat snap ik NIET.’
Hm, een stijfkop Of snotneus? Ik probeerde hem uit te horen. ‘Je bent zeker nog erg jong?’
‘Mevrouw, ik zit al een week in de  buitendienst,‘ sprak hij hautain. Hij vloog wat hoger en keek op me neer.
‘Nou, dan heb je nog even. Zoek maar een andere bloem, ginds staat een volle struik nachtschonen. ‘ Ik wees. ‘Een paar rozen, enkele lissen, sedum…’
Nu keek híj beledigd.
‘Denk je echt dat ik aan nachtschonen begin?? Waar zie je me voor aan?’
Nou ja zeg, een bij met kapsones.
Hier wilde ik niet mee verder. ‘Dan niet. Ik heb geen tijd meer. ‘
Hij hield in, zweefde heel dicht langs mijn gezicht en keek me diep in de ogen.
‘Vrouw,’ zei hij, ‘zou jij ’s nacht op pad gaan voor een beetje zoetigheid?’
Ik dacht na.
‘Je moet nog veel leren.’
==

Advertenties

Passiflora

Passiebloem

Na veel groene jaren speelt zijn passie weer op en bloeit hij, bloemen en knoppen leveren een weelderig uitzicht.
Passie voor wat?
Niet voor het steen en hout van de muren, dat bedekt hij zo snel mogelijk.
Ook niet voor mij, hij groet me nooit.
De buren ziet hij niet staan en naar de tuin kijkt hij niet om.
Misschien houdt hij van zijn eigen schoonheid, een narcistisch trekje dat eens in de paar jaar bovenkomt waarin hij geniet van te worden bekeken, bewonderd, besproken.
Daar staat tegenover dat zijn spruiten maar één dag bloeien en dan afsterven maar hij krijgt er zoveel dat hij het vermoedelijk niet merkt.
Bovendien is hij niet kapot te krijgen en zaait ook nog uit, meters verderop steken zaailingen de kop op.
Ik zou ze willen laten groeien tot een passie-woud maar durf het niet aan.
Het lijkt me gevaarlijk wanneer hij wordt als die Ranonkel van Hamelink
(een oud maar mooi boek)
Hij mag blijven zoals hij is maar moet niet teveel willen.
=

Oranje


Ondanks de wind is het best aardig weer, zonnig en groeizaam.
Dat vindt de papaver ook. Gisteren zat de knop nog dicht, vanmiddag is hij eensklaps helemaal open en geeft meteen kleur aan een stukje saaie muur en achter hem zitten al een paar nieuwe mollige knoppen.
Door het vangen van de avondzon lijkt hij licht te geven. Daar geniet ik van.
Het maken van opium is me nooit gelukt, ik doe maar net alsof de schoonheid me bedwelmt, ook een soort roes.
Het (oranje-) koningshuis zegt me niets maar als ze eruit zouden zien als deze bloem, en ook de korte bloeitijd aanhielden, zou ik ze misschien bewonderen.
=

Verscholen bloem

Waarschijnlijk groeien er in elke tuin nog bloemen.
Hier ook, het houdt de boel fleurig.
Maar die ene oost indische kers baart me zorgen.
Hij houdt zich verscholen. Dat is niet goed, niet des bloems.
Ik probeer hem te lokken met mooie praatjes.
Hij weigert.
Net een koppige mens. Of een bange?
Straks gaat hij dood zonder te hebben geleefd.

Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.

Net mensen


Deze zonnebloem staat met zijn hoofd boven de schutting en richt zich op de buren. Nieuwsgierig volgt hij hun leven, waarom eigenlijk? Dat weet hij zelf niet.
Wil ìk zijn aandacht dan dien ik te wachten tot halverwege de middag, tot de zon gedraaid is en  hij zich naar onze achterdeur keert. Denkt zeker dat ik eindeloos zit te wachten tot hij me ziet.
De verbeelding van grote bloemen is gewoon bespottelijk.

 

 

 

 

 

De sedum is anders, bescheidener.
Steekt rustig zijn kop uit de grond en groeit op elke plek, zonnig of niet, nat of droog, met of zonder dorre blaadjes, hij staat bescheiden te wezen in al zijn fletse rozerood.
Dat hij, van bovenaf gezien, op rauwe gehakt lijkt is grappig maar het kan hem niets schelen. Zei hij. ‘Ik ben vegetariër.’

Zonnebloem en regen

Regen was hard nodig, zie het hoog opschietend groen. Als je er langs loopt hoor je rondom de zuchten van genot. Aaaahh, slurpslurp.
Zelfs de zonnebloem heft het hoofd om alle druppels te vangen: alsjeblieft, nu even geen zon.
Het is ook mogelijk dat hij rondkijkt en zijn familie zoekt, hij is de enige die uitgekomen is. De rest houdt zich gedeisd.
De suikergoedjes, volgend jaar zal ik een parapluplant naast ze zetten.