En nu de lente

Hier en daar zag ik al weblogs met mooie beelden, fleurig, lieflijk, opwekkend ook.
Daar kan mijn tuintje niet tegenop.
De tulpen zijn bijna uitgebloeid,  voorzichtig verschijnt een beginnend minibloempje maar de planten in de schaduw vertonen de meest serieuze plannen, snap je dat nou? Hebben ze hier zo’n beetje warmste tuin van Brabant, bloeien die het eerst.
Ze zullen toch geen mutaties hebben opgelopen?
Je weet niet wat vreemde virussen doen,  straks groeien er k+k kerstbomen uit. Of zeewier.
Enfin.
De ooievaarsbek, Indische aardbei en dit kruipkruidje (zie foto, ik weet de naam niet) vertonen bloesem.
Zonloos.
Een wonderlijk begin.

Het knerste

Een paar weken geleden klonk een zacht maar onmiskenbaar krrr-geluid in het achtertuintje, dat tegen de avond ophield.
Het bleef aan de gang. Zodra ik terugkwam van weggeweest overviel het me meer, luider en luider.
Houtworm? Verroeste spijkers in de schutting? Een zaagvis in de vijver?
De buren durfde ik niet te vragen of zij het ook hoorden, ze zouden me misschien voor gek verklaren: pardon? een tuin die kraakt??
Maar op een dag, toen ik het geheel overzag en het witte bosje gewaar werd  begreep ik het ineens.
De scharnierbloemen… ocharme, ik had ze vergeten te smeren voor ze uitkwamen.
-=

Bij de waslijn.

Er zoemde een bij langs de stokroos. Hij bleef rondjes draaien rondom de uitgebloeide bloemen. Na een poosje kwam hij naar me toe:
‘Je hebt slechte stokrozen, weet je dat?’
‘Hoe kom je erbij?’  Beledigd keek ik hem aan.
‘Er zit niks in,’ snoof hij.
Wat moest ik daar nou mee. Ik legde het uit.
‘Kijk, ze zijn verdord en de honing is op. Snap je?’
‘Nee. Dat snap ik NIET.’
Hm, een stijfkop Of snotneus? Ik probeerde hem uit te horen. ‘Je bent zeker nog erg jong?’
‘Mevrouw, ik zit al een week in de  buitendienst,‘ sprak hij hautain. Hij vloog wat hoger en keek op me neer.
‘Nou, dan heb je nog even. Zoek maar een andere bloem, ginds staat een volle struik nachtschonen. ‘ Ik wees. ‘Een paar rozen, enkele lissen, sedum…’
Nu keek híj beledigd.
‘Denk je echt dat ik aan nachtschonen begin?? Waar zie je me voor aan?’
Nou ja zeg, een bij met kapsones.
Hier wilde ik niet mee verder. ‘Dan niet. Ik heb geen tijd meer. ‘
Hij hield in, zweefde heel dicht langs mijn gezicht en keek me diep in de ogen.
‘Vrouw,’ zei hij, ‘zou jij ’s nacht op pad gaan voor een beetje zoetigheid?’
Ik dacht na.
‘Je moet nog veel leren.’
==

Passiflora

Passiebloem

Na veel groene jaren speelt zijn passie weer op en bloeit hij, bloemen en knoppen leveren een weelderig uitzicht.
Passie voor wat?
Niet voor het steen en hout van de muren, dat bedekt hij zo snel mogelijk.
Ook niet voor mij, hij groet me nooit.
De buren ziet hij niet staan en naar de tuin kijkt hij niet om.
Misschien houdt hij van zijn eigen schoonheid, een narcistisch trekje dat eens in de paar jaar bovenkomt waarin hij geniet van te worden bekeken, bewonderd, besproken.
Daar staat tegenover dat zijn spruiten maar één dag bloeien en dan afsterven maar hij krijgt er zoveel dat hij het vermoedelijk niet merkt.
Bovendien is hij niet kapot te krijgen en zaait ook nog uit, meters verderop steken zaailingen de kop op.
Ik zou ze willen laten groeien tot een passie-woud maar durf het niet aan.
Het lijkt me gevaarlijk wanneer hij wordt als die Ranonkel van Hamelink
(een oud maar mooi boek)
Hij mag blijven zoals hij is maar moet niet teveel willen.
=

Oranje


Ondanks de wind is het best aardig weer, zonnig en groeizaam.
Dat vindt de papaver ook. Gisteren zat de knop nog dicht, vanmiddag is hij eensklaps helemaal open en geeft meteen kleur aan een stukje saaie muur en achter hem zitten al een paar nieuwe mollige knoppen.
Door het vangen van de avondzon lijkt hij licht te geven. Daar geniet ik van.
Het maken van opium is me nooit gelukt, ik doe maar net alsof de schoonheid me bedwelmt, ook een soort roes.
Het (oranje-) koningshuis zegt me niets maar als ze eruit zouden zien als deze bloem, en ook de korte bloeitijd aanhielden, zou ik ze misschien bewonderen.
=

Verscholen bloem

Waarschijnlijk groeien er in elke tuin nog bloemen.
Hier ook, het houdt de boel fleurig.
Maar die ene oost indische kers baart me zorgen.
Hij houdt zich verscholen. Dat is niet goed, niet des bloems.
Ik probeer hem te lokken met mooie praatjes.
Hij weigert.
Net een koppige mens. Of een bange?
Straks gaat hij dood zonder te hebben geleefd.