Nog ééntje


Lui, soezerig van opkomende dromen, liggen we op bed.
Ik draai me op m’n buik en druk mijn neus in het kussen; hmmm, schone lakens, toppunt van slaapgenot.
Tiktik op mijn schouder, vlinderlicht..
Inwendig grinnikend doe ik of ik niks merk. Verzin een snurkje en bol mijn rug.
Tiktiktiktik…. aarzelend. Ach, hij gaat op de bescheiden toer, zo lief.
Zuchtend beweeg ik lichtjes en speel mee; onverstaanbare woordjes lispelend rol ik naar hem toe, zoek zijn hand en…
…slaapt hij??
Wakker nu, knip ik het licht aan en kijk naar zijn gezicht. In diepe rust.
Het zweet breekt me uit. Wie beroerde me?
Angst kruipt me de rug op, kriebelt in mijn nek; ik krab en vang een spin.
Hij beweegt nog.

Advertenties

Uit de 120 woordenserie

Liefde na de dood

Daar ligt hij.
Het lekkere ding dat ik zo graag wilde hebben maar nooit kreeg.
Te tuttig was ik, te braaf. Op afstand genoot ik van rapsongs en scooters maar nam, door onaantrekkelijkheid gedwongen, genoegen met de jongen die de kerkboeken doorgaf.
Een keurige man en saai, zo saai.
Kregel werd ik van hem tot hij gisteravond een hersenbloeding kreeg. Pas vijfendertig. Toch nog een vlotte, dacht ik
Nu kan ik van hem maken wat ik wil.
Minutieus scheer ik zijn haar tot de gewenste stekels, plak een blackeye in zijn nek.
Vervorm zijn wenkbrauwen en teken een pikzwarte gevoelslijn onder zijn ogen.
Ik bekijkt mijn werkstuk en lach, blij.
De ware. Eindelijk.

©Bertie