verhaaltje·weglopen

Weg

Kwaad was ik, witheet en beledigd tot op het bot.
Ik mocht niets meer zeggen maar dat hoefde ook niet. Razend sjeesde ik naar boven en pakte een tas in met kleren en spulletjes, griste mijn laatste guldens bij elkaar en stampte de trap af.
De fiets op.
Weg. Definitief.
Her en der sloeg ik een paar zijwegen in.  De verkeerde, ik zou naar de pont moeten richting stad of naar het station voor de trein. Maar beiden kostten geld en dat had ik niet genoeg. Misschien het politiebureau? Zij wisten vast wel gratis slaapplaatsen. Toch maar niet, ze zouden me naar huis brengen. Ze kunnen barsten.
Weer een andere weg, het werd vervelend, koeien, koeien, maïs, als ik nou es daarin ging liggen voor het donker werd? Niemand die me ziet in dit gat.
Daar was het volgende dorp waar een paar klasgenoten woonden, ik keerde om. Terug naar een ander landweggetje.
Uiteindelijk stapte ik af en liep de berm in, sprong over een greppel met fiets en al en wurmde me tussen  hoge maïsstengels.
Wat nu. Ik wist het niet, huiverig voor ongedierte durfde ik niet te zitten of liggen.
Hongerig, kwaad, moe en bang. Straks zou het donker worden of een boer zou  zijn veld controleren en me wegjagen of aanranden en o god, afschuwelijke taferelen schoten door mijn hoofd.  En het licht op de fiets was kapot.
fietsgirl-1906405__340
In arren moede en schemer ging ik terug.
Buiten zag ik door het achterraam dat er een voetbalwedstrijd op tv was, de spelers zagen er aangeslagen uit.
Net goed.
Stilletjes sloop ik de trap op.
==
De voetbalwedstrijd is verzonnen. ☻