piekeren

Over piekeren

Toen ik nog heel jong was nam ik klakkeloos de mening over van pa en moe.
Niet lang daarna die van de zussen en grote broer.
In de brugklas leerde ik zelf na te denken, voor zover dat mogelijk was.
Na de verhuizing naar Brabant en de overgang naar de MULO veranderde er iets: ik leerde te piekeren.
Was het zuiden echt een lachertje?
Waren die van boven de Moerdijk echt grootbekken? En de Limburgers dan?
In het kielzog daarvan nam ik meteen de buitenlanders mee: deugden ze echt niet en waarom eigenlijk niet? Ik kende pientere Indonesische meisjes, Spanjaarden en Italianen en The_Blue_Diamonds,  maar hoe zat het met die Turken en Marokkanen? Dat was moeilijker, zij zaten niet op de scholen waar ik zat maar de vooroordelen waren er, ze woonden vlakbij ons. Wat was er niet goed aan ze?
Ik keek en zag en dacht en wist eigenlijk nooit precies wat ik nou denken moest, ik kwam er niet uit. Tieners weten niet altijd wat ze moeten denken, als ze al denken.
Jong paartje zijnde verhuisden we naar een kleine plaats waar het buitenlanderpiekerprobleem zich nauwelijks voordeed.
Maar er waren wel drukke kinderen en buren en blafhonden en brommers en al de gezinsdingen die je aan het piekeren zetten: hoe lossen we dit op.
‘Er komt verdorie nooit een eind aan,‘ dacht ik vaak, de vroegere piekerproblemen indachtig.
Nu pieker ik niet meer.
Hoogstens over de inhoud van een nieuw logje en of het goed of slecht is zal me worst wezen.
==