Nacht (herzien)

Bangelijk luister ik naar de wind,  in stormen als deze kan van alles gebeuren. Niet hier, mompel ik mezelf gerust, die ritsel is een loshangende tak, het schijnsel een manestraal en…..
Oh ja?
Verstijfd staar ik in onbekende ogen.
‘Had je niet gedacht hè?
‘Ga weg,’ piep ik.
Zijn adem blaast vreemde geuren en beroert  mijn arm. Panisch stomp ik in het wilde weg, en weer.
Hij verdwijnt, ik blijf achter, bevend.

Het tocht, stond het raam
open?
Bibberig sta ik op en sluit het, veeg wat zand weg… zand?
Dan val ik flauw.
=