Nepgeheugen?

Twee oude mannen zaten met elkaar te praten.
Ze rookten sigaren, een van hen had bruinige vlekken aan de zijkant van zijn voorhoofd en  een groot gezicht.
Later zag ik de ene op het pad langs de schuur. Hij liep met een stok en keek me boos aan.

Heel veel later zat ik te luisteren naar mijn ouders en een paar zussen, ze hadden het over de opa’s die ik niet gekend had.
Wel waar, riep ik, ze zaten dáár en rookten sigaren. Ik wees naar een raam.
Meteen kwam er commentaar.
Dat kun jij niet weten, je was nog maar drie toen opa K. overleed en vier toen opa S. stierf.
Ik hield vol, wees waar de bruinige vlekken zaten, waar een van hen in de achtertuin liep, kon de boze ogen aangeven en het grote gezicht.
Het klopte allemaal maar geloven deden ze het niet.
Dat heb je natuurlijk gehoord, je de herinnering eigen gemaakt, je verbeeldt het je.
Toen twijfelde ik, nu nog steeds. Er werd in een groot gezin zoveel gepraat dat je inderdaad niet altijd wist of herinneringen reële belevenissen waren.
Maar het maakt niets uit; ze zitten in je geheugen als echte beelden en zijn net zo goed als eigen herinneringen.

Er zijn interessante boeken en artikelen geschreven over het geheugen,  hoe moeilijk het is ware herinneringen te onderscheiden van vermeende, hoe verschillend de indrukken zijn van diverse getuigen. Ook lees je het in menig politieroman.
Maar mijn opa-beelden kan ik voor me zien.
Echt of aangepraat, het maakt geen verschil.
==