Druif en ik


Mooi druifje hè.
Zijn ogen stonden wat vreemd en het gezicht was ook niet alles maar och, dat jeukt een druif niet, meende ik.
Daar vergiste ik me in. Bij het afspoelen kwam hij telkens bovenop te liggen en keek rond.
Zelfs in de vergiet wist hij zich omhoog te werken.
Hij keek me aan.
Ik smolt.

Hij niet.
Toen zag ik dat hij iets miste en ik gaf hem een bekkie.
Hij fleurde er helemaal van op.
Ik ook, ik at hem niet op en bewaar hem tot zijn dood.
=