Duister water

Een geheimzinnige poel.
Des verderfs? Een bodem van vermoorden, verminkten en kadavers? Halfdoden?
God weet of de duivel.
’s Nacht zijn er lugubere geluiden wanneer onderwatergeesten grote schoonmaak houden met ruwe hand. Kermend gebubbel stijgt op, vergezeld van kwalijke dampen met onnavolgbare geuren.
Een kwart lichaam stijgt ploppend naar de oppervlakte, onherkenbaar voor mens en dier.
Men hoort en huivert.
Het hoofd diep onder de dekbedden.

Langzaam, langzaam verzinkt de poel in rust.
De dageraad, bangelijk en bijgelovig,  versluiert de nacht en belicht een vriendelijke vijver. De bloemetjes spelen mee.
Tot opnieuw het licht verdwijnt.
==

Advertenties

Weemoed

regenserreIk zit voor een raam, luister naar de regen en lees.
Af en toe is er beweging, een kauw die langs scheert in een korte droogte, een musje. Takken waaien verwoed en sproeien.
Dan is er weer het geruis . Soms in een afwijkende maat door het lek in de dakgoot.
Ik maak een kop nescafé en neem het boek weer op.
Plotseling overvalt me een droefgeestig gevoel. Ik kijk rond, zie dat er niets verandert en probeer het weg te lezen. Maar nee…
Waarvandaan komt die melancholie, dat heimwee naar nooit gedane dingen?
Want je weet niet hoe het begint.
Het duurt en duurt.
Ik kijk naar het boek. Het gaat over dementie, van Nicci Gerrard.
Naar de ramen die zicht bieden op overdadig groen maar zelf een voorbije zomer tonen.
De lucht die te vroeg donker wordt, iets waar ik een gloeiende pesthekel aan heb.
Dan bel ik iemand. Niet thuis.
Daarna een zus. Ze heeft geen tijd.
Alleen de laptop neemt geduldig op wat ik schrijf.
Nu zie ik weer het vaasje bloemen van de topinamboer. Best lief.

Aandoenlijke shortstory in drie delen

Lief (1)
Toen ze deuren en ramen schilderden kerfden ze hun namen in het houtwerk.
Opdat ze niet vergaten.
Zo verliefd, zo blindelings erin gelovend.
Dit werd absoluut hun huis.

Nog steeds lief (2)
Andermaal namen ze de kwasten, met de laatste laklaag verfden ze hartjes om elk van hun namen.
Nu konden ze het huis inzegenen met een prosit maar bovenal met de zekerheid van eeuwigheidswaarde die ze hun gevoel toedachten:
dit huis was voor altijd.

Niet meer lief (3)
Maar ach, ze raakten aan elkaar gewend en speelden slechts met lauwe gebaren, treurend om wat was en met vage hoop.
Vergeefs.
De namen zijn weggekrast.
==

Vlees noch vis

Een bekende uitdrukking voor iets onduidelijks.
In dit geval gaat het om mijn voornemen om beide niet meer te eten. Zuivel gaat eveneens in de ban.
En ook het gebruik van delen van dieren; weg met leren schoenen en riemen, eruit met het bankstel en luie stoel. Geen Chinese cosmetica en wat ik nog meer tegenkom.
Kwestie is  alleen dat ik niet weet welk voedsel absoluut diervrij is. Hier in de omgeving is de varkensgeur soms zo penetrant dat alle akkergewassen waarschijnlijk  knorrend de grond uitkomen. Die komen dus niet aanmerking.
Sperciebonen en andere groenten uit ht Middellandse Zeegebied schijnen royaal bespoten te zijn, dat wil ik ook niet eten. Jammer want ze smaken erg goed.
Noten, pinda’s, zaden en rijst en dergelijke moet je maar net lusten. En daarvan de herkomst weten, stel dat er arme mensen zich hebben krom gewerkt om mij aan het eten te houden. Het idee beneemt je de trek.
Nu dacht ik aan waterijsjes en snackpinda’s, rozijnen in een chocojurk en chips. Daar zou ik een poosje op kunnen leven als ik er gezond bij bleef. Maar dat is niet zo zeker.

Wat blijft er eigenlijk over zonder in eentonige peulvruchtenmaaltijden te vervallen? Fruit? Teveel suiker en niet mijn smaak.
Eetbare bloemen? Ik zie de wilde rucola tussen de tegels, jèk, ik lust de tamme niet eens.
Molsla? Brandnetels?
Aanvullen met vitamine- en kriltabletten? De klank alleen al.
Ik denk dat ik het maar bij gras houd, van dat wilde taaie spul dat niet uit te bannen is, hoef ik meteen niet meer te schoffelen.
Met wat plantaardige olie en eerlijk zout wordt het misschien gaar en smakelijk.
Ga ik gezellig op mijn nieuwe houten luie stoel zitten smikkelen.
Met de voeten omhoog, de houten klompen ernaast.
Zodra ik kan loeien laat ik het weten.
==

Nog even…

…over de serie zussen  die mij te grote oren toeschreven.
Dat was echt oneerlijk van ze, ik deed serieus mijn best om net te doen alsof ik niet luisterde. Sterker: ik hóórde ze zogenaamd  niet eens.
Ze liepen er niet in.
Maar jé, ik kon het niet helpen dat ze  telkens in mijn buurt zaten wanneer er iets geheims langs kwam.
Speelde ik stiekem (was eigenlijk verboden) op de hooiberg: stonden zij aan de achterkant te kletsen.
Jatte ik peertjes: hingen zij onder de boom te smoezen.
Zat ik stilletjes onder de tafel: zaten zij aan de thee hun geheimen te bespreken.
Uiteraard dachten ze dat ik dat met opzet deed, ze verwachtten niets anders van een nieuwsgierig kind. Zo zijn grote zussen. Broers ook, trouwens.
Dus hoorde ik onveranderlijk woorden als  ‘Ga verderop spelen, oud wijf.’ ‘Schiet op, ga maar naar buiten.’  ‘Moet jij nog niet slapen?‘  En meer van dat.

Het is maar goed dat ze ook mijn haren wasten, krulspelden indraaiden en met zorg de krullen uitkamden, dat hield de trauma’s tegen.
En voelde goed.
Héél goed.
==

Man spreekt

Kerels? Een slag apart.
Vrouwen? Niet te rijmen.
Kinderen? Altijd maar afwachten.
Dieren? Gadver.
Planten? Jèk.
  – Jij leeft zeker alleen?
Neenee, ik woon met mijn vrouw, ouders, zonen, dochters, kat en hond en heb een tuin rondom het huis.
  – Wat zeur je dan?
Ik zeur helemaal niet.  Zo is mijn ervaring.
  – En wat vind je van jezelf?
Niks. Ik ben de baas van het spul.
 – Maar je bent een man, dus ook een slag apart.

Dit is niet helemaal verzonnen.
Een paar jaar geleden spraken we  iemand die op deze manier zat te jeremiëren, ontevreden over zijn inwonende ouders, kinderen en kippen. Bloedserieus zei hij letterlijk:
 ‘Een gewoon mens zou het niet aankunnen, het is maar goed dat ik me kan aanpassen’.
Hij snapte niet waarom we lachten.
==

Sommige oudjes doen het nog best


De afgelopen weken ben ik weer in de boekenkast gedoken om ruimte te maken.
Tja, dan ga je eerst even zitten met een  ‘o jaaa’ bij sommige boeken.  Opruimen schoot niet op, vier stuks legde ik apart om te herlezen en ik moet zeggen: oud is menigmaal nog steeds goed. In schrijven dan.
Jan de Hartog (De Kapitein) is taai maar schrijven kon hij.
Milan Kundera (De ondraaglijke lichtheid van het bestaan) leest beter en de titel is ronduit schitterend.
Greg Bear  (Aambeeld van Sterren, sf) boeit nog steeds, meer dan Asimov.
J.B. Priestey (Een straatje in Londen) las ik al honderd keer. En nu weer.
Nog even gebladerd in de Christie’s, Mankells, Ludlums, Grishams, en meer van dat, best goede auteurs maar ze trekken me niet meer. Ze nemen zinloos veel plaats in.
De eeuwige vraag is opnieuw – wat moet ik ermee- dus blijven ze staan.
Net als Palmen, Pfeijffer, Gort, Siebelink, enzovoorts enzoverder.
En dan de verstandige boeken, kook-  handwerk- en andere vreselijkheden. Wijzer werd ik er niet van, nee dan strips. Flippie Flink bezorgt me dagenlang een goed humeur.
(Ik heb er maar 1 album van, helaas)

Een boekenkast is vergelijkbaar met een vliering, garage en zolder,
je wilt ze opruimen, bent er een lange middag zoet mee en uiteindelijk mag niets weg.
Hoogstens wat opgeschoven.
==