Bij

Terzijde

De waslijnbij   zocht me weer op.
Vlak voor me ging hij op een van de weinige passiebloemen zitten. Ik herkende hem aan zijn arrogante pony/bontje/achterkant.
‘En,’ vroeg ik vilein, ‘ben je al naar Nachtschone’s zoetigheid geweest?’
Hij kroop een rondje, slurpte wat maar gaf geen antwoord. Was zeker afgewezen.
Hij mompelde. Ik verstond het niet, het klonk chagrijnig.
Oei, gauw verzon ik iets vriendelijks. ‘Hoeveel voedsel rooi je op één dag? Is het ’n beetje de moeite?’
Hij wachtte even . ‘Niet in dit tuintje.’ Ik proefde minachting.
‘Wat doe je hier dan nog?’ vloog ik op.
Hij zoemde naar me toe. ‘Deze bloemen trekken me. Ik voel compassie voor hun uitgedroogde familie.’ Hij sloeg een eerbiedig kruisje.
Aaach, dat had ik niet verwacht. Het verzoende me.
‘Je mag hier gerust blijven hoor, zal ik een bos verse bloemen voor je kopen en naast de vijver zetten? Lekker fris….’
Hij werd een beetje dol en ik deed een stap achteruit.
‘Vrouw, je stokrozen zijn slecht, deze bloemen sterven onder je ogen , je vijver staat bijna droog en de rest is ook niet veel soeps. En dan durf je me een bos imitatie aan te bieden??’
Geërgerd schudde hij zijn bontje/pony/achterkant. ‘Geen wonder dat ons volk op instorten staat.’ Zijn luide gezoem stond op springen.
Tja. Goh. Nou.
Ik wist niet wat ik moest zeggen, hij was al weg.
==

Advertenties