Die hond.

Toen puppy-lief een valsaard werd
bekeek hij kat en kippen
anders dan de tijd daarvóór.
Hij likte steeds zijn lippen
bij’t zien van de onnozelen
die door zijn glurend blikveld stapten
en van zijn hongerige smoel
geen ene mallemoere snapten.

De kat werd maarts-verleidelijk
en streek met krolse krullen
langs die van het kwaaie dier
die ’t liefst met haar zijn bak zou vullen.
Grommend en gemeen-chagrijnig
zat de rothond daar te wachten
tot zijn baas niet slechts de kat
maar alle kippen zou gaan slachten.

Maar de baas nam zijn geweer
en schoot de slechte hond terneer.
=

Advertenties