Een ijselijke gebeurtenis. Lang geleden.

De sfeer op die dag deugde niet.
Vanaf het ontbijt voelden we het. Iets unheimisch’.
We wisten niet waaraan het lag en liepen het hele huis na, voor- en achtertuintje. Van vliering tot kelder.
We vonden niets wat we verdachten van onheil. Hoogstens was er een vervelende buurman en aan hem waren we gewend.
In de loop van de dag veranderde de lucht. Groenigheid schemerde door de wolken, het blauw leek te vergelen. Bladeren ritselden alle kanten op, we zagen trillende takken. Bangelijke bloemen sloten zich, de waterlelies doken onder.
Bevreemd zagen we het aan. De zon scheen toch nog?
Wat maakte ze zo benauwd?
Langzaam verdween de dag.
Te vroeg. Er klopte iets niet.
Dan kwamen er schaduwen opzetten, zomaar, vanuit het niets.
Tot we naar buiten keken en een paar wezens zagen, zo eigenaardig van silhouet dat we ze niet herkenden als iets van deze wereld. Ze keken naar elkaar, als ze tenminste een gezicht hadden.
‘De camera,’ haastte echtgenoot zich, ‘vlug, straks zal niemand zal ons geloven…’
Hij vond hem.
Maar toen hij de lens op de onbekende figuren richtte schrok het toestel vreselijk en sloeg op tilt, het was duidelijk dat zijn plaat té gevoelig was.
De schaduwen bewogen, even maar. Dan losten ze op in de schemer.

Niettemin ontwikkelde zich een foto.
Slecht van kwaliteit maar de wanstaltigheden zijn duidelijk te zien.
Opgelucht dat de normaliteit terugkeerde bekeken we de opname.
Kijk en huiver.
Het beeld spreekt voor zich, en toch zag niemand dat we de waarheid spraken.

Advertenties