Deze zin viel me op

‘Lof heeft zoveel valse varianten dat achterdocht in deze gerechtvaardigd is’
  Francis Bacon in zijn essay Over Lof.
Moeilijk te ontkennen.
Ik heb het altijd (nou ja, die enkele keer..) moeilijk gevonden als ik geprezen werd. Voor de hele klas waarvan een paar meiden je met openlijke hekel bekeken. Je voelde je doodongemakkelijk onder de afgunst.
Niemand van de klasgenootjes hield daarvan,  misschien was het een gebrek in onze opvoeding daar goed mee om te gaan, als arbeiderskinderen waren we niet gewend aan lof.
Hoogstens van een buurmeisje dat je nieuwe jurk bewonderde omdat ze op  je verjaardagsfeestje aasde
Het wantrouwen van lof, dat kreeg je vanzelf mee. Je was blij met een klein compliment, meer hoefde niet want je geloofde de rest toch niet.  Een soort ingebakken minderwaardigheiscomplexje.
Zo overdreven in onze ogen, iets voor heiligen.  Of voor dooien op ouderwetse bidprentjes, dat was ook voor de helft gelogen.
Lof was ook een katholieke  avonddienst . Dat was trouwens nog erger,  altijd die kerkgang waarin je je suf verveelde.  Je werd er nog om uitgelachen ook door protestante kinderen die vroegen of we daar witlof aten. Ha. Ha. Ha. Je lachte zuur mee.
Zodoende was ‘lof’ een akelig onderwerp, in beide betekenissen.
Behalve een ovenschotel maken kon je er niets mee.
Maar het zal aan ons gelegen hebben.
==
Advertenties