Schrijven, maar geen boek

Een hobby.
Hoe andere amateurs het hadden weet ik niet, ik moest het echt leren.
Met gemak pende ik bladzijdes vol maar goed schrijfwerk was het allerminst.
Onwaarschijnlijke verzinsels, een soort mini-autobiografie over mijn gedachten, ik genoot van de woorden, leesbaar of niet.
Hoe langer de verhalen werden, hoe sneller ik ze wilde beëindigen door een ‘leuk’  plot te schrijven. Ze leken allemaal op een hardloopwedstrijd. Bovendien had ik intussen een typemachine, dat ging lekker vlug.
Bij het ouder worden en meer lezende ging het iets beter en daarmee beging ik een nieuwe fout: mooi schrijven.
Zogenaamd poëtische zinswendigen (op sinterklaasrijmiveau), ‘literaire’ constructies die van warrigheid aan elkaar hingen, onnodige interessante woorden.
Een schrijfclub wees me een beter pad. Daar leerde ik de betekenis van goede aanwijzingen en warempel, ik schopte het tot plaatsing in een paar verhalenbundels.
De aanhouder wint, heet het.

Niet helemaal, mijn echte droom kon ik niet waarmaken.
Een boek schrijven, een heel boek met een goed plot en een mooi verhaal eromheen. Een serieuze roman, het liefst fictief, met eigen inzichten erin verwerkt over allerlei onderwerpen.
Een gewaardeerde auteur te worden, bij een gerenommeerde uitgeverij. Het visioen alleen al was de wens waard.
Natuurlijk probeerde ik het. Gaf losse verhaaltjes alvast dezelfde hoofdpersoon, maakte schema’s, liet hoofdpersonen opdoemen, onlangs vond ik een schrift terug met een begin van maar liefst zes hoofdstukken.
Uiteindelijk heb ik het toe- en opgegeven: dit kan ik niet. Liever lees ik andermans boeken.
Bovendien zijn er andere kwaliteiten, ik kan heel goed aardappelen schillen en friet snijden.
Dat werd zeer gewaardeerd in het gezin, meer dan een gedroomd boek.

Advertenties

Goedemorgen

 – Zwalkend door het schemerduister van een ongekende tijd
was ik suf en zonder notie gelijk een hersenloze geit.-
Ik ben blij dat ik weer bij zinnen ben. Ongeveer.
Nooit eerder meegemaakt dat een gewone verkoudheid  zo vervelend kon zijn.
Het gehijg en gesnotter, de ijlte in het hoofd, de geur die om je heen hangt,
Nu is het weer blogtijd.
Ik ga niet de afgelopen week nalopen maar gewoon verder met vandaag. Eerst nog wat op adem komen.
Nogmaals bedankt voor de beterschapwensen.

Het….

– Het hangt op de bank en het lacht. Rare geluiden knorren uit de keel, ze overstemmen het gehijg.
Plots vliegt het overeind, een hoestbui verscheurt de droom.
– Het staat in de keuken en niest. Hartgrondig, dat het middenrif pijn doet en de tissues drie maten te klein zijn.
– Het zit aan de laptop en traant. Bril op, bril af, het zicht blijft wazig.

U begrijpt: ik ben verkouden en niet zo’n beetje.
Gisteravond kreeg ik plots een kuchje, zo’n licht dingetje met een piep, vanmorgen was ik al bijna een patiënt en nu helemaal.
De thee met honing komt me de neus uit. In andere vorm.
De toco-tholin helpt een beetje voor de keel en de honingdrop maakt alleen maar misselijk. Het moet gewoon uitzieken, ik verwacht niet dat het lang gaat duren. Ik jammer gauw maar mankeer zelden iets ernstigs.
Dus wacht ik.
Af en toe zit ik te ijlen boven de toetsen.Dat voel ik natuurlijk niet maar mocht U het merken, weet dan dat ik het niet zelf ben.
Of juist wel, dat begrijp ik niet zo goed want ziet U, ik ben zo verkouden dat……. enfin.
=

Blupblup! Blup?

Wat de klimaatverandering betreft vind ik de stijging van het water het meest bijzonder. Daarbij is er het inklinken van de bodem.
Een combinatie die aan afgesproken werk doet denken, het ondersteunt elkaar.
Land zegt ‘Ik wil zo graag eens de diepte in, naar   Atlantis
Ok,’ antwoordt Water, ‘ik zal je helpen.’
Een voorbeeldig staaltje van vredelievende samenwerking.
Of zou het ruzie zijn?
‘Waarom knabbel je aan mijn dijken, jij hebberige natlap?’
    –‘Kop dicht blubber, of ik overspoel je vandaag of morgen met al je rafelige dijken.’
‘Verdwijn!!’
    –‘Dat doe je zelf al, dom kalf.’
Zo zal het waarschijnlijk niet gaan. Nog nooit hoorden we ze met elkaar communiceren en we brachten heel wat uren door in modderplassen en -sloten.
Maar toch, die gassig-borrelende prutplakken die af en toe kwamen bovendrijven, dat was misschien hun manier van spreken.
Achteraf een eng idee.
De modderbullebak bestond dan ècht…
Ik ga nooit meer zwemmen in natuurwater.
==

Schemeren

Daar houd ik van.
Je zult niet vaak de grote plafondlampen zien branden in onze huiskamer. Die zijn zelden nodig, voorheen alleen gebruikt voor spellen of feestmaaltijden.
Er is één voorwaarde: ik moet genoeg licht hebben om te lezen, schrijven of om iets anders te doen. Ik zou niet weten wat ik moest beginnen als ik alleen maar kon zitten en tv kijken, ook het spelen met Internet ben ik af en toe beu. En dan zit je maar te zitten.

Je kunt best schemeren met voldoende licht als je het maar goed verdeelt. Om die reden hangt/staat er in bijna elke hoek een lamp. Samen met de tv, het licht dat uit de keuken valt en eventueel een paar kaarsen is het een goede verhouding. Geen duistere plekken.
‘Licht spreidt gezellgheid’ was een oude reclameslogan die helemaal waar was. Het is stemmig.
In dit verband herinner ik me het zuinige gedoe van vroeger. Te kleine peertjes in gang, kelders en wc, na gebruik on-mid-del-lijk uitdraaien want weet je wel hoeveel stroom dat kost? Wat was ik bang, grote schaduwen die met je meeliepen. Een belangrijk aspect i.v.m licht.
Vaak moest de grote lamp aan, er werd gebreid, sokken gestopt, gelezen of gekaart en dergelijke. Maar dan moesten de kleine schemerlampjes uit. Scheelde in stroom.
Uiteraard snap ik het wel. Lage inkomens, geen ledlampen, meestal 1 loon per gezin.
Later werd het financieel beter, toch bleef de zuinigheid en werden ze er rijker van?
Welnee, het was een gewoonte die je in veel huishoudens zag.  Bijna een traditie.

De stroomkosten van het huidige witgoed liggen heel wat hoger, daar let ik op maar dat heeft niets met schemeren te maken.
Trouwens, was- en vaatwasmachines kunnen in het donker draaien.
Alleen met stofzuigen lukt het niet zo goed.
Dat doe ik daarom overdag.
==

Brabantse nacht is soms lang

Meestal slaap ik prima, ik houd van mijn bed. Het is een goed bed.
Vannacht echter was het laat en toch bleef ik wakker.
Eerst alle spelletjes op het tablet gespeeld. Mail gecheckt en weblog. Nieuwsoverzicht bekeken.
Platliggen en ontspannen, ogen op kiertjes.
Slaap bleef weg.
De tv dan maar? Hm, slecht beeld en geluid.
Ik rommelde in het kastje voor een extra saai boek. Een oude Siebelink, dat moest lukken.
Niet. Na drie hoofdstukken gaapte ik van verveling maar bleef wakker..
Nog eens uitrekken.
Er zat een hinderlijke plooi in het onderlaken. Kussen te slap, een bobbeltje linksonder, opschuiven….
Waar blijft dat zandmannetje nou.

Hoe komt het toch dat je in dat geval alles voelt en hoort, van het meest minieme geluidje tot het kleinste rimpeltje in het dekbed? Ieder vleugje tocht, al of niet bestaand? Dat schaduwen bewegen?
Dat een stenen tussenwoning kraakt als een houten keet en het dek te strak ligt of juist van je afglijdt en nooit blijft liggen?
Volgens mij krijg je van wakker liggen een bijzonder soort bewustzijn, is je lichaam tot het uiterste gespannen.
Een maxisuperhyper-hoog sensitiviteitsgevoel.
Maar hoe komt dat dan? Verwacht je teveel van het bed?

Enfin, ik hoef niet te klagen, het overkomt me zelden.
Ook vannacht kwam het goed, ongemerkt sliep ik in en werd uitgerust wakker.
Redelijk normaal.
==