versje

Hoofd. Een soort ballade

Plots was daar die onderkin
ik leek een kroppige duivin
allez, riep ik, het mes erin

mijn neus stak af bij’t resultaat
dus kocht ik me een duplicaat
een gok met wippend’ luchtinlaat

toen misstonden nog de wangen
ja, ook zij werden vervangen
en met zacht satijn behangen.

jamaar, zeiden dan de ogen
krijgen wij nu hemelbogen?
ik bood ze een verziend vermogen

voor de rest had ik geen geld
de bank had me reeds rood vermeld
lijf vervloekte me, ontsteld.

Wat denkt het wel? ik ben onteerd
geknakt en diepgevoeld bezeerd
en heb me rap gedistantieerd.
= = =
Als Hoofd blijf ik in leven
hier sta ik, hoogverheven.
Het lijf is doodgebleven
=====
© Bertie

persoonlijk

‘Hoe krijg je het voor elkaar…’

Een mens moet alles leren voor hij iets kent/weet/beheerst.
Dat weten we.
Er is verschil in tempo waarmee geleerd wordt. Ik ken mensen die in snelreinvaart bepaalde dingen onder de knie krijgen, van wiskunde tot gymnastieken.
En het laatste, dat bewonder ik ten zeerste,  hardleers als ik was ondanks de gymlessen die ik jarenlang volgde.
Ze hebben een lichaamsbeheersing waar ik jaloers op ben. Ze sporten, rennen over smalle bruggetjes, dansen, fietsen over de hobbeligste aller bospaden, het kost hen geen moeite. Altijd soepel en in evenwicht, nooit een onzekere beweging, vallen of stoten is er niet bij.

Dit overdacht ik gistermiddag toen ik eerst een vette schram opliep en naderhand een tas vol water.
Ik behoor niet tot de lenigen, integendeel, mijn vader noemde me een onbesuisd kind hoewel ik me van geen kwaad bewust was. Ik zàg de obstakels gewoon niet al ben ik na de val waarbij ik een arm brak voorzichtiger in mijn bewegingen.
Toch lukte het me om met kracht langs een scherpe deurpost te schuren. Bloed, deppen en pleisterwerk en kojes thee om bij te komen.
Later, in de toilethal bij de bibliotheek, zette ik – gedachteloos, brein sliep –  mijn tas even in een van de fonteintjes. Daarmee activeerde ik de automatische kraan maar merkte het niet.
Pas toen ik klaar was, vertrok, een dripdripgeluid hoorde en omkeek zag ik een waterspoor achter me. Het slierde uit mijn tas.
Nou, eh, tja, ik zette de tas op de grond en depte het meeste water op met toiletpapier, biddend dat er niemand binnenkwam. Men zou denken dat ik  niet zindelijk was.
Het ging goed.
Echtgenoot, ouders, onderwijzers, ze zouden stuk voor stuk geroepen hebben:  ‘hoe….’
Met als variant: ‘Daar heb je haar ook weer.’