Dialectprobleem

Dialecten scheppen soms verwarring, soms volslagen onbedrip.
Er is de herinnering aan dit voorvalletje .

Op een regendag kwam ik op school met natte haren. Ik fatsoeneerde het enigszins en ging bij de andere meisjes staan.
Een leraar wees naar me en vroeg of ik niets aan mijn kapsel kon doen.
Tja, halflang kleddernat haar, daar doe je niet veel aan.
Nou moet je weten dat we pas een paar weken in Brabant woonden, ons Hollandse accent was nog vet. Wijzelf echter dachten dat we keurig  Nederlands spraken.
Ik antwoordde de leraar dan ook onnozel met: ik kraggut nie netter.
Groot onbegrip op mans gezicht. ‘Pardon?’
‘IK KRAGGUT NIE NETTER.’
Hulpeloos wendde hij zich tot de andere meisjes. ‘Wat zegt ze toch?’
Ze begrepen me en vertaalden, ‘ik krijg het niet netter.
Pfoe.
Ik geneerde me, niet alleen voor mijn antwoord, vooral voor de platte taal die ik gebruikte.
Het was een goede les.
We leerden nooit echt Brabants, wel beter Nederlands.

Kinderspel?

Een kind vertoont soms raar gedrag. Lezend over dwanghandelingen en -gedachten  dacht ik terug aan het volgende.
Plotseling deed ik aan stappen tellen. We hadden geleerd over lengtematen, kregen de opdracht de eigen kamer op te meten. Heel interessant vond ik het maar het liep uit de hand, ik telde voortdurend en probeerde uit te rekenen hoeveel cm ik in één stap kon maken. Het hield niet op.
Ongeveer 20 of 30  passen door de steeg langs het voortuinje, 10 voor de winkel naast ons, 14 voor de trap. De weg naar school was met 1 kilometer te lang dus die deed ik niet.
Er waren geen psychologen die het wisten te duiden. Athans, niet in die jaren en in ons gezin,  het scheen vaker voor te komen dus ik werd niet als abnormaal beschouwd.  Wat ouders indertijd verwachtten gebeurde: het ging vanzelf over, net als het gebruik van stopwoorden, het napraten van vloeken en het optrekken van één wenkbrauw. (Een kunst die ik nog steeds beheers).
Later deed ik het tellen nog eens over, nu als wedstrijd met een broer. We speelden wie de meeste straatstenen kon afstappen. Ingespannen naar de grond turend zag ik niet de jongen die bijna tegen me opbotste en vroeg of ik een klap wilde hebben.
‘Elf’, antwoordde ik, nog in de ban van de passen.
De jongen schudde zijn hoofd en liep door, ik keek hem verdwaasd na en vergat verder te tellen.
Broer heeft me nog lang uitgelachen.

Of het tellen viel onder ernstige dwanghandelingen weet ik niet.