Dagdag.

Nog een paar uurtjes om de kranten te lezen en puzzels in te vullen, eten en drinken klaar te zetten, misschien een hazenslaapje doen in de luie stoel, alle ramen dicht te doen. Best druk nog,  zo’n laatste avond.
De laptop gaat NU dicht, tablet aan de kant.
Tot volgend jaar!

Advertenties

Limerick in drievoud

Er was eens een rotje in’t oosten
dat zou zo graag knallen, niet proosten
maar ach, wat verdriet
men wilde hem niet
en vond hem de nietsnuttelooste.

Huilend vertrok hij naar’t westen
ook daar zat hij snel in de nesten
men vond hem te vurig
en vormde balsturig
een lading aan massaprotesten.

Hij keek naar de groepen neuroten
zijn hart was al potdicht gesloten
hij zamelde restvuur
ontstak in een driftkuur
en heeft zich ter helle geschoten.
=

Oude

Er sloft ’n bejaard kereltje door de straat.
Rondkijkend stopt hij, checkt zijn telefoon.
Ik houd hem aan. ‘Bent U verdwaald meneer? Waar moet u zijn?’
‘Dag mevrouw. Hier ergens zou ik een klein kind ontmoeten.’
Het Oude Jaar, begrijp ik. Hij ziet er ontevreden uit.
‘Is er geen plan voor de overdracht?’ vraag ik.’Dan kan ik U brengen.’
Hij mompelt dat hij op antwoord wacht.
Dan gooit hij eruit:
‘Ik ben blij dat het jaar om is, ik had er meer van verwacht. Had 2017 tot het jaar van de vrede willen maken. Zou starten met de grootmachten door elkaar te rammelen en daarna de religies afbreken, de mensheid en bloc te hypnotiseren via Internet, en…  wat was ik nog jong.’
Ik houd mijn adem in bij zoveel idealisme.
‘Uw opvolger lukt het misschien,’ troost ik.
Hij steigert. ‘Daar heb ik niets aan, die eer had ik zelf willen hebben. En nu nog verdwalen ook, gadverdamme wat een klote-einde.’
Tsss, jaloers en nog chagrijnig ook. Verbluft staar ik.
‘Sta niet zo te gapen, waarom moet ik vriendelijk zijn? Zo mooi was het allemaal niet, de keren dat ik voor noppes bijstuurde zijn talloos, het deed me veel verdriet en nu heb ik er genoeg van. Ik stap er uit en zelfs daarmee moet ik wachten, voor mij geen Drion. Bah!’
Wat te zeggen? Ik weet het niet. Het hoeft ook niet, zijn smartphone rinkelt.
Hij leest en grijnst opgelucht.
‘Hebbes. Overmorgen in de schuur van N, hopelijk zonder hennep en knallen.’  Hij steekt zijn hand op. ‘Houdoe.’
‘Veel geluk dan maar,’ roep ik hem na ‘en een voorspoedig 2018.’
Nog één keer kijkt hij om.  ‘Hou je soort voor de gek.’

Dierenleed

‘Dierenambulance redt katten uit grof vuil’ las ik ergens.
Meteen kwam er een akelige herinnering boven, aan een man die katten lokte en vermoordde. Iemand die ervan wist vertelde het, ‘je wilt het niet weten,’ zei hij.
Dat wilde ik natuurlijk wel en betreurde deze wetenschap bitter. Ik ga niet uitleggen op welke manier de dierenbeul te werk ging maar het eindigde met uithongering van de beesten. Ik lag er vaak wakker van.
‘Geef hem aan bij de politie, het is strafbaar,’ drong ik aan.
Dat durfde de boodschapper niet. Hij had geen bewijzen, zei hij. Achteraf vermoed ik dat hij bang was, begrijpelijk.
Ik was  er kapot van en begreep het niet. Waarom schoot hij ze niet direct dood? Dat is ook erg maar dan lijden ze minder, redeneerde ik onnozel.
Je vraagt je af:  zijn het dezelfde mensen die als kind kikkers opblazen, hooiwagens de poten uittrekken, honden een blikje aan de staart binden, de kat in het water gooien, schildpadjes op hun rug leggen?
Of  zoek ik het te ver?

Als de kerst uit mijn hoofd is verdwenen

Vanmorgen bekeek ik de kerstboom en -versiering. Ze doen geen dienst meer en moeten weg.
Vanavond zag ik in de straat de meeste tuinlampen en -hertjes nog branden. Toch was het niet zo aantrekkelijk als vorige week.
Het is het gemis aan sfeer. Al weten we dat het kerstverhaal slechts symbolisch is, en, niet te vergeten, wordt bespeeld door producenten van gebakken lucht, toch heerst er een stemming van lichte spanning. Licht en nog meer licht zijn uitingen ervan, zij verhogen de feestvreugde.
We weten het en veelal zal het het vooruitzicht niets met de kerstgedachte te maken hebben maar een gezins/familiedag, etentje thuis of elders, weekendje weg, vriendelijke oude films op televisie, misschien een weerzien van verre verwanten, zijn zaken waarnaar men uitkijkt. De wende lijkt het ultieme moment voor dergelijke dingen, een nieuw begin en zo. Daar hoort extra licht bij en mag wat kosten.

En na een paar dagen is dat allemaal voorbij, de verwachtingen zijn al of niet uitgekomen. Lampjes, boom en beeldjes kunnen opgeborgen tot het volgende kerstfeest.
Wie weet wat we dan afspreken.
Ik gok wederom op een aardappelmaaltje en hoop op een kroket. Of twee.

Zalig zijn de vreetzamen

Er was geen gans, er was geen kip
noch fazant of watersnip
varkens, reeën en kalkoenen
net zo min als negerzoenen
geen van hen vermocht ons boeien
enkel en alleen de koeien
daarvan lustten we een stuk
jamm, het was vur-ruk-kul-luk
zachte boter, groen, patat
of je in de hemel at.
Het was een culinair orkest
dat nog naklinkt in de rest
die we warmen in bouillon.
Daarvoor is de magnetron

Paard en wij

Hangend over het hek brachten we de tijd door. Paard kwam bij ons staan en luisterde. Af en toe knikte hij.
Een van de jongens was in een etterige bui.
‘Heb je die schoenen van je opoe geërfd?’ begon hij. ‘Weet je dat je naar groene zeep ruikt?’
Reacties bleven uit, ook Paard negeerde hem.
Geprikkeld kwam hij met zwaarder geschut.
‘Hé dikkont, ik zou maar eens wat minder vreten.’ We trokken schele ogen.
‘Je denkt zeker dat je leuk bent, je kunt een paard nog laten lachen,’ pestte de knul.
Verveeld keken we de andere kant op. Paard blies de manen uit zijn ogen en keek met ons mee.
‘Ik wed dat geen van jullie op hem durft te rijden.’
Nu keken we allemaal naar hem.
Hij aarzelde, klom op het hek en tilde een been over de rug. Paard liep weg en daar lag de klier, in het gras en wellicht in een koeienvlaai.
Paard kwam naderbij, hij hinnikte en wij lachten met hem mee.

Energydrink

‘Een godendrank mevrouwtje’, antwoordde de jongen toen ik vroeg naar de kwaliteit. ‘Wat heet? Nike zou er persoonlijk voor naar de winkel komen, ik zweer het. Je loopt er de vierdaagse mee in een uur mevrouwtje’, antwoordde hij wervend. Met een soepel lijf liep hij naar een fitnessapparaat en gaf een demonstratie.
Enthousiast trok en duwde hij aan stangen en gewichten.
Ik bekeek hem eens goed en zag dat hij er zonnig en gespierd uitzag met bovenarmen als hoofdkussens, zijn nek een glijbaan. En  groot genoeg om ‘mevrouwtje’ te zeggen tegen een cliente van een-meter-vijfenzeventig.
‘Drink je het zelf ook?’ vroeg ik, naar zijn gespannen shirtje wijzend.
‘Drie maal daags en U ziet dat het werkt,’ zei hij gevleid. ‘Je had me een maand geleden moeten zien, gottegot wat een schlemielig ventje was ik, enkel bleek vel met botten en wat zie je nu?’ Opschepperig spande hij zijn biceps aan..
‘Word je er ook bruin van?’  Ik kreeg lol in het gedoe en speelde met hem mee.
‘En lang, breed, knap, slank, wacht effe, ik neem nog een slok. Proeven?’ Hij hield me het flesje voor maar ik aarzelde.
‘En spraakzaam?’ vroeg ik onschuldig.
Hij keek me sympathiek aan, ‘omdat U in mijn eerlijkheid gelooft zal ik een partijtje voor niks meegeven, alsjeblieft, tien halen vijf betalen.’
Ik stond paf. ‘O, eh, is het in de reclame?’
‘HELEMAAL NIET’ klonk de stem van een binnenlopend mannetje, mager en kleurloos.
‘Ik heb je gewaarschuwd, ijdeltuit’, ging hij verder, ‘verkopen doe ik zelf en jij demonstreert. Hup!’  Verongelijkt stapte de jongen op een trimfiets.
‘Altijd hetzelfde met die kleerkasten, pronken met hun opgeblazen lijf. Gadverdammese uitslovers. Maar waarmee kan ik U van dienst zijn, mevrouw?’
Ik keek naar het schlemielige mannetje dat niet veel meer dan wat bleek vel met botten was.
‘Niets, dank U. Ik hoef niets.’

© Bertie

Hoog water

Half glijdend zakt ze van het talud.
De stijgende rivier deert haar niet, de kleine golfjes over haar voeten merkt ze nauwelijks.
’n Beetje water is zo erg niet.
Natuurlijk, ze zou ook thuis kunnen zitten, droog en met warme voeten.
Samen op de bank.
Hij, verhalend van zijn baan. De heldendaden -ik zei tegen de chef..-  zijn populariteit – Karel vroeg mijn mening…- .
Zij, luisterend naar het doorlopende gezwets dat ze niet wilde horen. Niet meer.
Halverwege een zin was ze hem in de rede gevallen. ‘Ga je mee naar de kade?’
Geïrriteerd over haar inbreuk had hij haar aangekeken, zijn mond nog gevormd naar de laatste letter. ‘Wat moeten we daar doen?’
‘Niks. Zomaar. Het water zal wild zijn, mooi.’
Stilte. Dan ‘maar het stijgt hard. En het is gevaarlijk in het donker.’
‘En?’
Ongeïnteresseerd haalde hij zijn schouders op. ‘Blijf maar thuis, ik houd er niet zo van.’
‘Ik wel.’
Zonder een antwoord af te wachten was ze gegaan.
Ze overdenkt haar ondoordachte aftocht en zucht. Waarom gaat ze niet bij hem weg? Simpel, gewoon opstappen?
Haar benen worden koud; toch maar teruggaan naar de warmte?
En naar zijn kleinzielige grootspraak?  Nee…
Een golf overspoelt haar enkels, jee zeg, zo hoog al.
Ze kijkt op en schrikt, de rivier wast snel. ze draait zich om en plast met opgetrokken knieën het talud op, pfff, een zware gang, vlug naar dat paaltje. Reikend met haar arm probeert ze het te pakken, mist, doet nogmaals een pogingen en haalt het.
Moeizaam trekt ze haar benen op en gaat rechtop staan in het natte gras.
Naar huis.
Naar huis?
Waar het warm en knus is en vergeven van zijn verwijtende superioriteit? ‘Ik zei het toch?’
Turend in het donker kijkt ze naar de zwellende rivier.
Wikt.
En laat zich voorover vallen.

© Bertie