Druiven en merels

De druiven zijn rijp.
Prachtig en verleidelijk hangen ze in kleine en grote trossen, bedauwd en van dat bijzondere blauw. Druivenblauw.
Ik eet ze als ontbijt, lunch, diner en als tussendoortjes. En ben niet de enige die dat lekkers  waardeert.
Plukken blijkt een ingewikkelde bezigheid doordat ik de opbrengst met vogels -meest merels- moet delen.
Dan sta je met je hoofd tussen de bladeren, schaar in de aanslag, vergiet eronder,  en je voelt dat je gadegeslagen wordt. Je dekt je in en houdt je stil, slechts je ogen loeren van links naar rechts en zoveel mogelijk naar boven en beneden en jawel, plotseling staart een vinnige kraaloog terug, in gelijke mate wantrouwend, bang dat hem de beste vruchten door de neus geboord worden.
Ik versaag niet en doe een knip met de schaar; de merel neemt een snaai met zijn snavel.
We loeren. Knip-snaai. Knip-snaai.
Opnieuw loer ik, hij ook. Knipknip. Snaaisnaaisnaai.
Verrek, hij meer dan ik, ik hoor het aan het bladergeritsel. Wacht maar, knipknipknipknip, dat zal hem leren.
Stilte.
Ineens: snaaisnaaisnaaisnaai, en voor ik kan antwoorden schatert het beest de klimop uit, pitjes achter zich aan strooiend. Daar gaan mijn ontbijt en andere maaltijden.
De lelijke dief.

Advertenties