Lang leve de kloosterling

Dat zou je bijna zingen wanneer je deze kop snelt. (Oud knipsel 2004).
Kloosterling leeft zes jaar langer
Het was voor ons geen nieuws, wij zagen vroeger al dat de onderwijsnonnen in ons dorp uitstekend te eten kregen. Niet dat we zelf honger hadden, maar in het klooster schenen de maaltijden net even lekkerder en beter te zijn. Je kon het ook zien, de bewoonsters waren stuk voor stuk in puike conditie, de zichtbare delen hadden een gezonde kleur en glans, vooral vergeleken bij die van de grote-gezinnen-moeders. De zusters waren zelden ziek of niet lekker. Hun gang was vlot en veerkrachtig, ze waren energiek en verschillende van hen waren behoorlijk aan de maat.
Ze hebben geen zorgen,  was een uitspraak die je vaak kon horen; aansluitend daarop klonken -een beetje bitter- opmerkingen als ze zouden maar eens acht kinderen moeten hebben of deze ijzersterke:  ze hebben dan ook geen man.
Deze herinneringen kwamen boven bij het lezen van de betreffende zin. Waar of niet, ze geven een idee van de gezonde braafheid van een bestaan waarin geordende saaiheid de boventoon voerde.
Mij leek het een gruwel.
Je moet er toch niet aan denken om non te worden met al die kleren en die bidderij met elke dag een verplichte mis, vrome liedjes.
En dan ook nog heel oud te moeten worden.
ps
Over mannenkloosters weet ik niets behalve een oud gezegde:
Het klooster van sint-Adriaan
waar twee paar schoenen onder één bed staan.