Nette doden

Na een telefoontje over nicht’s  overlijden kwam een onaangename herinnering boven.
Wandelend op een kerkhof zochten we naar het graf van een neef die een maand tevoren gestorven was. Neef leidde een losbollerig leven en stierf jong, meer kwaad viel er niet te vertellen maar het was genoeg, bleek even later.
Er kwam ons een bekend mannetje tegemoet dat om een praatje verlegen zat.
Hij vertelde van zijn vrouw wier steen zo schoon was en dat ze er zo netjes bij lag en hoe goed ze was geweest en meer van dat.
We vroegen of hij wist waar onze neef lag.
Hij viel stil.
‘Bedoel je die van R?’ vroeg hij toen. ‘Ja.’
‘Die zal toch niet op dit veld liggen?’ Verontwaardigd. ‘Zulke horen hier niet.’
Huh? Ik stond paf, werd ook erg kwaad.
Op een kerkhof maak je geen scène dus keerde ik me van hem af. Echtgenoot vroeg nog ‘Waar dan wel?’
Het ventje antwoordde vinnig ‘Plaats genoeg maar niet hier.’
Niet bij de nette doden.
Om te kotsen.

Bovenstaande is nog maar een kleine tien jaar geleden.
Er zijn waarschijnlijk nog steeds mensen die dergelijke opvattingen huldigen.
Stompzinnig volk voor wie ik geen verontschuldiging kan aanvoeren al zijn ze nog zo netjes, kerks of wat dan ook.

Van niet-inenten tot verval. Een spinsel.

Entropie=
‘de eindtoestand die bereikt wordt in de ontaarding van de materie en
energie in het universum.’

De meest begrijpelijke omschrijving die ik kon vinden maar voor wie het moeilijker mag: lees  entropie    Aanvullende vragen  in de-tweede-hoofdwet
Wat vanzelf vergaat kan nooit meer vanzelf teruggaan naar de originele staat. Gooi je hebben en houden in een  onbewoond gebied en kijk er tien jaar niet naar om.  Het is voor een groot deel verroest, gezandstraald, kapot, verminkt, vergaan en de natuur kan het niet meer repareren.

Hoe kom ik hier op? Door de gedachtegang van een dementerende architect in een roman. Het begrip entropie overviel hem, te bouwen voor de ondergang vond hij beangstigend. Hij begreep het niet meer.
Bij een praatje over inenten herinnerde ik het me door de volgende vraag en antwoord:
‘laat de natuur zijn gang gaan’ 
‘nee, laat de dokter zijn werk doen’.
Nou begrijp ik wel dat de tegenstandster niet bedoelt dat de wereld een zootje moet worden, maar al piekerend zag ik het voor me.
Een vergelijking met entropie,  een wereld waar ziektes ongehinderd de kop opsteken en de mens afbreken.
Die raakt verzwakt en kan niet meer geheeld worden, vegeteert langzaam tot de dood.
Vergezocht, ik weet het.  Toch dacht ik het.
Het zal de warmte zijn.
Zodra je langer dan een half uur in beweging bent voel je je al gebroken.

Droog

De zon is half weg, schemer lonkt.
Wolken naderen. Ze zoeken een geschikte locatie om te lossen, ze strekken de handen uit om de droogte te peilen, zie je hun vingers boven daken en bomen?

Het wordt nu langzaam donker. Koppig blijf ik buiten, wachtend op regen, dikke plensbuien met grote druppels en kleinere voor de lis en wisteria.
Het gesleep met gieter en sproeiers ben ik spuugzat maar ’n beetje spuug is niet toereikend voor de  bloemen.
Aaarrrg, de wolken gaan voorbij.
Zucht.
Misschien dat er vannacht nog eentje langskomt, een die water over heeft en compassie met-of-voor de tuintjes in onze buurt.
En anders dondert ‘ie maar op.

De grauwe-rattenvanger van Smallonië

Er was eens een land.
Het was een klein land. Ook de bewoners waren klein, niet zozeer in maat als wel in denken. Dat zat in de volksaard en stoorde niemand.
Ze hadden voldoende te eten en te drinken; ontspanning was in ruime mate voorhanden. En gevoel voor dieren. Een sociaal gezicht.
Zelfs de goden werden met eerbied behandeld.
Zorgen werden op een typisch kleinlandse manier gladgestreken door ze met veel bombarie op een rijtje te zetten en af te turven.
Smallonië, kortom, was een welvarend rijkje.
Tot de grauwe ratten uit hun holen kwamen. Eerst aarzelend maar allengs vrijer bewogen ze zich tussen de burgers.
Aanvankelijk hield men hen voor een tijdelijke plaag,  haalde de schouders op en zei: ‘Ze sterven vanzelf weer uit’, zelfs lachte men als een enkel beestje strijdvaardig zijn grauwe vuistje schudde.
Maar de plaag won aan kracht.  Sommige grauwen drongen zich op in winkels en parken en vakantieoorden, juist de plekken die men het liefst voor zichzelf hield.
Het lukte de regering niet de grauwe ratten te verjagen; een partij stelde voor om ze op een moderne, humane wijze in reservaten onder te brengen.
Aldus geschiedde.
Er werden grote stenen holen gebouwd  waar ze werden voorzien van noodzakelijk levensonderhoud en onder scherp toezicht werden geplaatst.
Het hielp niet; er waren niet voldoende bewaarders om ze in toom te houden.  En het kostte nog geld ook.
Het dreigde een ramp te worden. In spoeddebatten zocht de overheid naarstig naar een betere oplossing.
Op een mooie zomerdag diende deze zich aan, een jonge violist meldde zich.
‘Luister’, zei hij, ‘ik kan jullie helpen; tegen betaling lok ik ze mee met mijn muziek en breng ze weg, ver weg’.
Het bestuur had er grote oren naar en ze kwamen een prijs overeen.  ‘Maar pas op’, waarschuwde hij,  “als ik mijn loon niet ontvang  krijgen jullie spijt!”
‘Geen probleem, meneer, alles komt in orde!’
‘Goed dan, ik begin NU!’
Hij begaf zich naar het centrum van Smallonië en speelde een paar wijsjes op zijn viool, wonderlijke, melodieuze liedjes. Enkele grauwe ratten bleven staan en luisterden. Al gauw volgden grotere groepen.
De violist begon te lopen, spelend met de muziek die sprookjesachtig mooi was en als een magneet  de grauwe ratten meetrok.
De stoet werd langer, er kwamen ontelbare volgelingen, dansend en lachend op de uitvalsweg.
De bewoners durfden er haast niet in te geloven, pas toen de allerlaatste figuurtjes over de horizon verdwenen waren zuchtten ze opgelucht.
‘Die zijn we kwijt, godlof.  En de violist erbij. Hoeven we hem ook niets te geven’, redeneerden ze in hun kleinheid.
Maar tegen de avond kwam de man weerom en eiste zijn loon.
‘Ja zeg, zeiden de burgers, ‘denk je dat we je voor een enkel liedje een hoop poen betalen? Voel es aan je hoofd’.
De violist keek ze aan. ‘Ik heb jullie gewaarschuwd’ en verdween. Nagejouwd door de mensen.
Ze werden zwaar gestraft voor hun gierigheid,  bleek later:
De grauwe-rattenvanger had al hun herinneringen gejat en meegenomen.
En nooit heeft iemand ze teruggevonden.

Figuur

Dertien of veertien was ik toen ik langs een grote winkel liep en in de etalage een stripfiguurtje mee zag wandelen, grote voeten en zo. Nieuwsgierig liep ik er naar toe en zag mezelf als lijzige lucifer met een lang gezicht. Bevestiging van puberale complexen en een schok voor mijn gemoedsrust.
Veel eten leek me de beste remedie.
Zoetjesaan zag ik het lucifertje groeien, zowel van voor naar achter als van links naar rechts. Het werd een zandloper die  heel wat acceptabeler was. Zag er wel goed uit, eigenlijk.
Toen werd het een saucijs – en al hielden we van braadworst, ik wilde er liever niet op lijken.
Gelukkig was er een oplossing, gemakkelijk door de eenvoud: gewoon het touwtje weghalen. Simple comme ça.
Wanneer ik nu langs etalages loop beweegt een ander figuur mee, heel wat flinker dan de wijlen lucifer.
Het lijkt nergens op.

Amfibie

Een ritje met de busboot    (filmpje of bus maakt veel lawaai),  dat staat al enige  jaren op mijn lijstje maar het kwam er nooit van.
Het lijkt me fantastisch, dat moment van ‘daar gaan we’.

Hoe voelt dat nou, zomaar het water in rijden?
Eng, zegt de een. Weet niet, zeggen de meeste anderen. Het spreekt niet iedereen aan, zo weinig als je er over hoort praten.
Terwijl het mij juist zo mooi lijkt.
Als ze nu ook nog opvouwvleugels inbouwen had je een vakantie voor elk wat wils: busritje, boottochtje, vliegreisje ineen. Zelfs uitklapbare pedalen sluit ik niet uit, zoiets als een bierfiets. Maar dat zijn natuurlijk zinloze spinsels, niemand gaat voor zijn plezier fietsen in een bus en waar zou je de bel moeten plaatsen?
Intussen zijn in een paar plaatsen dergelijke vaarbussen, Rotterdam, Amsterdam en Wamel en misschien in meer gemeentes.
Misschien, ooit, komt er ook een in ons dorp, de visvijver is groot genoeg en de karpers duiken wel naar de diepte.

’t Is een vreemdeling zeker.

Een man neemt plaats in de dokterswachtkamer.  Hij ziet er opgeblazen uit, pafferig en pompeus tegelijk.
Rondkijkend merkt hij dat elkaars kwalen besproken worden.
Veel klachten lijken simpel. Verstopte neus, gipsen been, een kind met buikpijn, ze stellen niet veel voor maar het maakt hem niets uit. Hij heeft geduld en luistert naar alle verhalen. De tersluikse blikken zijn duidelijk, hij zal dra gevraagd worden. Een onbekende met een breed gzicht moet wel iets aparts zijn, verwacht hij.
De vrouw naast hem neemt het woord. ‘En wat heeft U, meneer?’
‘Een dik hoofd, mevrouw.’
De overige patiënten knikken bevestigend maar zeggen niets, ze wachten op de reactie van de woordvoerster.
‘Aha,’ zegt deze. Ze strijkt onwillekeurig over haar haar. ‘Hoe komt dat?’
‘Er zit een kolder in.’
‘Oh, echt waar?’ Weifelend schuift ze haar stoel een stukje op. Je weet maar nooit.
‘Nou en of.’
‘Goh, dat is ook wat.’ Ze schuift nog verder weg. ‘Wat moet de dokter daar aan doen?’
‘Een briefje voor de psychiater, U weet wel, graafwerk in de geest.’  Zijn ogen staan verwaand.
De vrouw slikt. ‘Dat zal een hoop gespit worden,’ zegt ze met een blik op zijn grote wangen.
De man toont zich gevleid. ‘Ja mevrouw, daar reken ik ook op.’
In daaropvolgende stilte kijkt men elkaar gegeneerd aan.
De dokter verschijnt: ‘Volgende patiënt.’ Allen wijzen opgelucht naar de bolle.
Ze wachten zwijgend tot de man zich weer laat zien.
Triomfantelijk houdt hij een verwijsbrief omhoog. ‘Afspraak met de neuroloog,’ legt hij uit, ‘waarschijnlijk heb ik een van de grootste kolders die hij ooit heeft gezien.’
Verbouwereerd staren de wachtenden hem na.