Dromen in eigen beheer

De nacht nadert. Dromenman loopt rondjes om het bed, hij mompelt.
Wat wil hij eigenlijk? Waarom doet hij zijn werk niet?
Zenuwachtig van zijn gedribbel roepen we ‘Schiet es op, we willen slapen.’
‘Ogenblik, ik denk na over de vakantie. Doet U maar vast de ogen dicht.’
We wachten.
Na een paar rondjes  vragen we het nogmaals.
‘ Top!’ roept hij . ‘Ik ben er uit.’
‘En? Waar gaat U naar toe?’ vroegen we.
‘Ik fiets naar de Azoren en koop me een patatje.’
‘Echt waar? Met Azoorse  saus? Jammm.’
Jaloers kijken we hem na als hij door het voorraam uitvliegt.
‘Ja’, zegt echtgenoot, ‘dan verzinnen we zelf wel wat.’
Hij visualiseert een grote pan waar op de bodem kleine aardappelen bakken en bovenin rozijnenpannekoeken liggen.
‘Goh schat, wat goed,’ roep ik uit, ‘samen doen?’
Ik bedenk er ijsjes bij en voor ieder een ontpitte mango.
Plots komt de koelkast er bij staan; hij wijst naar zijn onderste vak.
We kijken. Romige mokkataartjes knipogen naar ons, hand in hand met Vin de Rêverie en Mijmerpils,
Langzaam genietend, vervagend in de slaap, doen we ons te goed aan de overdaad.
We zijn heel goed in staat onze dromen zelf te beheren.

‘Goedemorgen,’ gapend komt man de keuken in, ‘ik weet niet hoe het komt maar ik werd  wakker met een opgeblazen maag. Raar hè?’
‘Ja, en met een katterig gevoel. Gek is dat.’

Serie. Een nieuwsgierige man.

Er was eens een man, zo vreselijk nieuwsgierig dat hij  met open ogen sliep om maar niets van de nacht te hoeven missen.
Vaak maalden zijn gedachten: heb ik echt alles aan iedereen  gevraagd, kreeg ik alle antwoorden, waarom weet ik dat niet meer. Ten lange leste sliep hij ongeweten vreemde chaotische dromen in en uit.
Meteen na het opstaan kocht hij alle kranten, las ze tot de laatste letter en schreef brieven naar vragenrubrieken. Daarna trok hij  eropuit. Voorheen met de bus maar sinds hij de chauffeur te lang ondervraagd had over motorvermogen, stuurinrichting,  afstand tussen twee haltes, voornaam van diens vrouw, kleur van zijn hemd en nog veel meer, mocht hij niet meer mee.
Overigens waren de straten uitgestorven daar iedereen wist dat hij er aankwam, hooguit ontmoette hij een onnozele zwerver en die wist in de regel niet veel.
Aan de huisarts vroeg hij hoe de assistente heette en met welk mes wratten werden weggesneden en hoe hij het scherp hield. Tot de dokter hem buiten zette.
Bij de burgemeester wilde hij weten waarmee het ambtsketen werd gepoetst en hoe vaak, of het niet te zwaar was om mans nek tot hij ook daar werd weggejaagd. Hij deed zijn beklag op het politiebureau, vroeg naar een wet die burgemeester en huisarts zou verplichten transparante antwoorden te geven en vond de wachtmeester ook niet dat de koning moest worden ingelicht?
Toen hij tenslotte drie dorpen verderop gedumpt werd  waar de inwoners hem met dezelfde vaart terug brachten wist hij nog steeds niet genoeg en vroeg aan iedereen waar hij de onvriendelijkheid aan verdiend had.
Zo zeurde hij zijn leven door.

Mist 20

‘P, snap je dan niet dat het op mij levensecht overkwam? Ik beschouw jou als een kenner van bosbewoners, dus nam ik dit letterlijk.’
Berouwvol nam hij me in zijn armen. ‘Arme meid. De kwestie is dat aanvallers angstaanjagende beelden bedenken waarvoor we vluchten of ons overgeven. Ze zijn realistisch en vaak luguber, tegen beter weten in maken ze ons bang.’
Ik huiverde.  Hij verontschuldigde zich nogmaals en dacht na. ‘Toch verbaasde die  weerwolf me, ik had niet gedacht dat er nog zoveel energie aanwezig zou zijn. Maar,’ klaarde hij op, ‘het feit dat ik de beelden al sneller weet te verjagen is een goed teken. En ook dat ze ons minder lijken te achtervolgen.’
Al met al klonken zijn verklaringen niet slecht.
Fantastisch, dat wel, als een magisch sprookje, gesitueerd in de eenentwingste eeuw. Interessant maar toch: een sprookje.  Met vreemde verschijnselen.
Was ik zo verliefd dat ik alles geloofde?
Slachtoffer van een verborgen camera in een film met morbide trucages? P was knap genoeg om voor filmster door te gaan.
Dit geloofde ik niet, was tante Petri niet zelf komen aanzetten met P of zou zij in het complot zitten?  Een belachelijk idee, ik werd zoetjesaan psychotisch.
P kneep in mijn arm  ‘Hallo, ben je er nog? Denk je na over de eigenschap die jij ook bezit?’
‘Maar,’ vroeg ik me af, ‘waarom merk ik daar zelf niets van?  Is dat niet vreemd?’
‘Lang niet alle paranormalen zijn zich van hun gave bewust. Als ik niet verliefd op jou was had ik het je ook niet verteld.’
Zozo. Kon hij niet van me houden zonder die poespas?
Voordat ik opnieuw zou piekeren wijdde ik me aan het eten.
– Liefde is blind-  luidt het adagium, zeer zeker maakt het ook hongerig.
We aten als wolven, een vergelijk dat me grappig voorkwam. Met een ggggrrrr stortte ik me op een broodje en hapte met ontblote tanden. Hij kon er niet mee lachen.
‘Ik kan je beter de rest vertellen,’ zei hij gauw,  bang dat ik hem niet ernstig meer zou nemen.