Mist 19

Zwijgend legden we de laatste meters af, stalden de fietsen en gingen tante Petri’s woning binnen.
Ik wees hem naar de bank en posteerde me voor hem. ‘Leg uit.’
‘Ach prinses, je zou altijd boos moeten zijn,’ probeerde hij nog maar ging vlug over op een redelijker toon.  ‘Ik, eh, doordat je ‘leesbaar’ bent heb ik je stiekem beïnvloed, een heel klein beetje maar hoor, dat zei ik toch al?’
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Je zag er zo prachtig uit toen ik je vond,  als een sprookjesmeisje en ik fantaseerde je tot een echte, en eh, onwillekeurig ging  ik te ver, soms doe ik het nog, dan ga jij adellijk spreken, heel sexy en zo…   ‘ Bedremmeld keek hij naar de grond. ‘Ik weet dat het kinderachtig is maar af en toe kan ik het niet laten, heel eventjes maar en jij reageert prompt.’ Smekend keek hij me aan. ‘Dan laat ik het meteen los’.
Hij voelde zich duidelijk lamlendig. Ik ook. Wat een bespottelijke vertoning, je vriendin aanzetten tot prinsesselijk gedrag en dan nog een uit de middeleeuwen ook. Waren die Roemenen zo achterlijk of alleen die uit de wouden?
Net wilde ik hatelijkheden spuien toen ik me bedacht.  Was het wel zo erg, een man die je als een prinses zag? Complimenteuzer kon je het niet bedenken en die woorden,  ‘storten wij ter neder’, dat is lachen. Kom daar eens om bij de Oranjes. Ik grinnikte. Hoopvol deed P mee.
‘Laten we wederom ons stalen ros bestijgen,’gierde ik. ‘En opletten dat het gewone volk ons niet hoort.’
Nu lachte hij volop mee.

Bijna alles was nu verklaard. Bijna.
De rest kreeg ik er ook wel uit, eerst eten. In tante Petri’s keuken en koelkast zou voldoende aanwezig zijn.
Genoeglijk inspecteerden we samen de voorraad. Avonturen maken hongerig blijkbaar.
‘Bertje, ik ben zo blij dat we het eens zijn,’ begon hij uit zichzelf. ‘Samen kunnen we ze aan, de kwaadaardigen, nee, ik lach je niet meer uit. Wat hebben we nu allemaal?’
Ik lachte. ‘Wat eten we niet? We hebben aldoor honger. Tonijn, kaas, broodje bloedworst?’  Hij slikte het.
Dat deed me aan iets denken. ‘Die bloeddorstige weerwolf, bestaat die echt?
‘Nee joh, dat planten ze in iemands geest om schrik aan te jagen. Grenzen beschermen. Zo ook met het akelige geluid.’
‘Maar… jij geloofde dat het een echte was, die pijn had.’
P keek verbijsterd. ‘Geen wonder dat je de bossen niet meer in durft. Wat spijt me dat Bertje, ik was niet duidelijk genoeg..’

 

Advertenties