Puberale opmerkingen jaren zestig-zeventig

In een groep – Ik val plat voor iedereen die me aan het lachen maakt.
Met schoolreis- Ik ben overal voor in.
In opstel –In de bospaden zagen we afdrukken van allerlei poten.
Tegen vriendin – Vroeger was ik een enorme doos.
Over boeken – Ja, ik ben behoorlijk ruimdenkend.
Enzovoorts.
Ter verdediging: we waren niet echt van die achterlijke geiten, het taalgebruik was anders, minder confronterend.
Toch lachen we er nu om. Beetje vertederd, alsof we onnozel waren.
En dan denk ik weer: je moest eens weten.

Serie. Een spraakzame vrouw.

Er was eens een vrouw die zo veel praatte dat ze af en toe met oorkleppen liep omdat haar oren tuitten van haar eigen geklep.
De omgeving vond haar een lief mens, als ze maar niet zo eindeloos ratelde.
Ze was niet te stoppen. Hoe men ook vroeg, smeekte, verordonneerde, huilde desnoods, ze kletste door.
‘Wees stil, vrouw,’ kon men regelmatig horen in de stad, meestal gepaard gaande met het beeld van een knielende die gevouwen handen naar haar ophief waarbij tranen van oorpijn over hun wangen liepen.
Het was werkelijk te gek.
Direct na het ontbijt kwam ze bij de buren binnnenlopen, al pratende. ‘Goedemorgen, uitgeslapen? Ik ook. Er is weer een hoop gebeurd. Veertien inbraken en de weerberichten zijn prima. De minister komt op bezoek voor de geluidsmeting, ik zorg dat ik erbij ben. Ergens las ik dat een kat zeven jonkies heeft, tistochwat met die katers en wat vinden jullie van het energieprobleem, idioot toch zolang het water nog stijgt laat ze zich daar eerst maar om bekommeren, ik heb de roeiboot al klaar zorgen jullie daar ook voor? En…’ Hier moest ze ademhalen en kon de buurvrouw haar naar buiten duwen en de deur met een ‘Besjoer’ op slot draaien.
Een passerend fietser had pech, hij werd meteen aangeroepen. ‘U bent al vroeg op pad, zeker het bed uitgerold? Houdt U van fietsen? Mooie bezigheid ja, je komt overal op eigen kracht, geweldig om op deze manier van de natuur te genieten, deed mijn man zaliger ook maar ja, op het kerkhof valt niet veel te genieten en trouwens, hij ziet het toch niet meer, zijn ogen waren al niet zo best en nu….’
Ook de fietser maakt van de adempauze gebruik en spoot weg. Na de zoveelste wegloper zocht ze meestal een praatpaal al had ze er niets aan want ze waren stuk voor stuk ontmanteld vanwege doorlopende storingen aan de elektronica. Ze kletste gewoon door.
Zo praatte zij zich door het leven.

Mist 19

Zwijgend legden we de laatste meters af, stalden de fietsen en gingen tante Petri’s woning binnen.
Ik wees hem naar de bank en posteerde me voor hem. ‘Leg uit.’
‘Ach prinses, je zou altijd boos moeten zijn,’ probeerde hij nog maar ging vlug over op een redelijker toon.  ‘Ik, eh, doordat je ‘leesbaar’ bent heb ik je stiekem beïnvloed, een heel klein beetje maar hoor, dat zei ik toch al?’
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Je zag er zo prachtig uit toen ik je vond,  als een sprookjesmeisje en ik fantaseerde je tot een echte, en eh, onwillekeurig ging  ik te ver, soms doe ik het nog, dan ga jij adellijk spreken, heel sexy en zo…   ‘ Bedremmeld keek hij naar de grond. ‘Ik weet dat het kinderachtig is maar af en toe kan ik het niet laten, heel eventjes maar en jij reageert prompt.’ Smekend keek hij me aan. ‘Dan laat ik het meteen los’.
Hij voelde zich duidelijk lamlendig. Ik ook. Wat een bespottelijke vertoning, je vriendin aanzetten tot prinsesselijk gedrag en dan nog een uit de middeleeuwen ook. Waren die Roemenen zo achterlijk of alleen die uit de wouden?
Net wilde ik hatelijkheden spuien toen ik me bedacht.  Was het wel zo erg, een man die je als een prinses zag? Complimenteuzer kon je het niet bedenken en die woorden,  ‘storten wij ter neder’, dat is lachen. Kom daar eens om bij de Oranjes. Ik grinnikte. Hoopvol deed P mee.
‘Laten we wederom ons stalen ros bestijgen,’gierde ik. ‘En opletten dat het gewone volk ons niet hoort.’
Nu lachte hij volop mee.

Bijna alles was nu verklaard. Bijna.
De rest kreeg ik er ook wel uit, eerst eten. In tante Petri’s keuken en koelkast zou voldoende aanwezig zijn.
Genoeglijk inspecteerden we samen de voorraad. Avonturen maken hongerig blijkbaar.
‘Bertje, ik ben zo blij dat we het eens zijn,’ begon hij uit zichzelf. ‘Samen kunnen we ze aan, de kwaadaardigen, nee, ik lach je niet meer uit. Wat hebben we nu allemaal?’
Ik lachte. ‘Wat eten we niet? We hebben aldoor honger. Tonijn, kaas, broodje bloedworst?’  Hij slikte het.
Dat deed me aan iets denken. ‘Die bloeddorstige weerwolf, bestaat die echt?
‘Nee joh, dat planten ze in iemands geest om schrik aan te jagen. Grenzen beschermen. Zo ook met het akelige geluid.’
‘Maar… jij geloofde dat het een echte was, die pijn had.’
P keek verbijsterd. ‘Geen wonder dat je de bossen niet meer in durft. Wat spijt me dat Bertje, ik was niet duidelijk genoeg..’