Mist 18

‘Ik kan het haast niet geloven. En toen?’
‘Toen? Niks. Er viel niet te onderhandelen of te rechten. Ik zon op wraak, wist niet hoe, uiteindelijk besloot ik te vertrekken. Voorgoed en zo ver mogelijk weg van kwade invloeden, rekenend op hun tanende macht, wachtend op een snel verval van hun verderfelijkheid. Wacht even…’
Met een stap stond hij midden in de keuken, de ogen omhoog bliksemend.  Onwillekeurig keek ik mee en schrok me wezenloos. Het was een gewone jongeman die omlaag staarde, de uitstralende haat daarentegen was immens.
Gebed in een giftige mist hing hij tegen het plafond, een vleug triomf op het gezicht tot P het afweergebaar maakte waarop het beeld verdween.
Na de gebeurtenissen in het bos dacht ik gehard te zijn; en nu dit.
IJskoud was ik en rilde. ‘P, was dat die Roman?’
Hij knikte, leek meer  kwaad te zijn dan bezorgd. Een gunstig teken?
‘Stukje fietsen? Ik moet lucht hebben.’ Hij leek vrijer.
‘Door het dorp, je krijgt me de bossen niet in voorlopig.’
We stapten op.
In het winkelcentrum, rondom de kerk, langs de straten, overal heerste een normale sfeer. Het was onvoorstelbaar dat er tegelijkertijd een onderstroom van telepathie door de plaats zou vloeien.
Te dicht naast elkaar rijdend haakten de sturen ineen. Zenuwachtig lachend  riep ik: ‘Zo storten we ter neder’ en schrok meteen, waar haalde ik dat toch vandaan?
‘Naar tante Petri’s huis,’ dirigeerde ik, ‘kun je me eindelijk iets uitleggen over de deftige onzin want dat begrijp ik nog steeds niet.’ Driftig stompte ik zijn arm.
Geloof het of niet, hij werd vuurrood.

Advertenties