dagsluiting

De afgelopen dag overdenken

 ‘Dat is nuttig,’ vertelde iemand eens. ‘Ga er rustig voor zitten, formuleer je gedachten zo helder mogelijk. Loop je besluiten na en krijg inzicht in je gedrag. Het geeft rust.’
Het was een kennis die zo vriendelijk overkwam dat hij misschien gelijk had. Dachten we.

Wel, we hebben het uitgeprobeerd, man en ik. We gingen er rustig voor zitten en deden ietwietwaaitweg voor de beginner.
Hoe was je dag, nog wat meegemaakt?
– Vanmiddag dronken we koffie met de chef. Ik heb meteen mijn klacht op tafel gelegd.

Mijn baas kwam met een nieuwe opdracht. Ik heb geweigerd.
 – O ja? Was dat wel verstandig?
Zeker, ik had er geen tijd voor. Was de koffie lekker?
 – Ik had het over die klacht…
Deze prietpraat boeide natuurlijk niet. Het leidde tot de slappe lach, een heel goede afsluiting van de dag maar diepere gedachten waren ver te zoeken. Later werd het een hit op verjaardagen tot het iedereen ging vervelen en we alsnog tot overdenking kwamen. We besloten het verhaal te laten varen.
Het zou in de vergetelheid geraakt zijn als er niet een opmerking van schoonmoeder achteraan kwam:
‘Een avondgebed lijkt me nuttiger.’
Nuchtere Brabantse.

vervolgverhaal

Mist 10

P stond op.
‘Ga je mee? Ik heb zin om te stappen.’  Bij het zien van mijn verbazing legde hij het uit. ‘Het is voor deze keer genoeg Bertje, je kunt beter niet teveel ineens horen, echt niet.’ Haast smekend.
Aarzelend gaf ik toe. ‘Wat zullen we doen?.
‘Laten we beginnen met een biertje bij Trina’s café, daarna een film of naar club Timo, we zien wel. Oké?’
Het leek me een gunstige pauze. ‘En dan naar tante Petri’s flat? Voor de rest van je verklaring?’
Zijn gezicht betrok. ‘Alsjeblieft, laat het even rusten. Een week, minstens, sommige dingen hebben tijd nodig. IK heb tijd nodig. Ik kan niet lang achter elkaar over iets geheimzinnigs spreken omdat het misschien wordt opgevangen. Ze zitten me aldoor op mijn huid en als ik voortdurend met dit gevaarlijke onderwerp bezig ben zullen ze me inhalen tot ik niet verder kan. Je wilt niet weten….’
Hij boog zijn hoofd maar niet voordat ik gezien had hoe wit zijn gezicht plotseling wegtrok.  Onzeker deed hij een poging meer te zeggen. Het lukte niet. Ik zag het verdriet en de vreemd smartelijke uitdrukking die ik eerder in het bos bij hem had waargenomen.
Medelijden deed me opstaan, zijn hoofd in de armen te nemen en de bleekheid weg te kussen. Hij voelde strak en star aan, duidelijk niet bij zijn positieven, tot hij mijn polsen greep en wegduwde. Hij mompelde, zijn vingers gebaarden naar iets wat ik niet wist, niet kòn bevatten.
‘Het is in orde,’ bracht hij uit met een stem die langzaam weer aan kracht won. ‘Laten we de jassen pakken en op pad gaan.’ Wat moest ik zeggen.
Onderweg naar Trina babbelden we luchtig; hij maakte grapjes, ik lachte opgefokt.
Ik begreep nog steeds niet veel maar wel dat ik het beste zijn gedragslijn kon volgen. Deze aanvallen waren, begon ik te vermoeden, letterlijk overvallen van een paranormaal begaafde die hem op de hielen zat.
Hier stopte mijn denken, vond ik dit nu al gewoon?

Geen categorie

Obstinaat

Dat ben ik nu.

‘Dwars’ kent  veel woorden   geen van alle sympathiek maar ik zit ermee opgescheept.
Ik wil niet opstaan.  Niet blijven liggen.
Een sneeuwstorm, op klompen lopen, a-politiek blijven, Trump en Erdje uitschelden, goede raad, geen bemoeials, ander telefoonnummer, meer zon, minder zon, zomertijd opschuiven, nieuwe fiets, zomertijd vorige week, boom rooien, stoep verleggen, krant de deur uit, Privé lezen…
Pfff, ik word er doodloof van.
Eerst een uurtje naast de zon zitten.

kort

Man vrouw hond

Er fietste een meisje door de straat. Een mooi meisje met gebruind middenrif, een vleugje goud in haar navel ving de zon.
Een  man met een houten been wandelde  met vrouw en hond over het trottoir; hij floot bewonderend.
Het meisje  keek hem vragend aan, de man knipoogde.
De vrouw naast hem haalde kalm een bijl uit haar tas—

Een knappe vrouw stapte uit haar wagen bij de supermarkt.
Een man in een rolstoel  keek geïnteresseerd naar de opstropende rok en halfblote benen.
Naar de tas van zijn vrouw en de hond die een enorme kluif torste. Tenslotte bekeek hij mismoedig  zijn lege broekspijpen.
Hij floot niet.

 

verhaaltje

Voorbij

Het is stil.
De sfeerkaars suist, speelt bij tochtvlagen een variatie.
Ik zit aan de toetsen en tik. Mijn brein flitst, alles wat ik bedenk wordt genoteerd.
Het kaarsengespetter stuurt me richting romantiek.
Ideeën dienen zich aan.  Ze  laten zich met moeite vangen. Van enkele vind ik een spoor terug in de tekst, de meeste vervluchtigen, verjaagd door nieuwe, opdringeriger invallen.
Koppig ga ik door. Scènes volgen elkaar op, langer wordt het verhaal, intenser de plot.
Als een bezetene vlieg ik over de toetsen, begerig naar het einde dat zich ontvouwt tot een drama dat ik niet voorzie.
Nog een inval, een laatste idee, alweer een paar woorden, niet teveel? geeft niks, bewerken volgt nog.
Tenslotte ligt er een redelijk concept.
Overlezen?
Beter een nachtje laten liggen.

Volgende ochtend lees ik, zie dat het tegenvalt en delete, plak, kopiëer, voeg nieuwe zinnen toe. Sleep, weer terug, schift met pijn.
Gespannen lees ik opnieuw.
En huil om het zoveelste mislukte verhaal.
Het allerlaatste.
==

vervolgverhaal

Mist 9

Was mijn gezicht een open boek? Maakte hij gebruik van telepathie?
De eerste keer dat hij op mijn angst zinspeelde was in het bos, hij noemde me zijn zusje.  Wat had dat met bang zijn te maken? Nog meer geheimzinnigheden die ik verduidelijkt wilde.
Voorlopig negeerde ik zijn vraag, in plaats daarvan stelde ik hem er een.
‘Je gaf geen antwoord P,  gaan er ook mensen weg die niet meer terugkomen?’
‘Ja, een enkeling krijgt het voor elkaar. En een paar daarvan worden gevonden door lokale bewoners elders.’ Hij maakte het keelgebaar.’ Onthoofd.’
Ontzet reageerde ik. ‘Dat is afschuwelijk, dat meen je toch niet?’
‘Reken maar. Zie het als een waarschuwing: wanneer je je niet aan onze regels houdt nemen we je hoofd. Ze zorgen dat het bekend wordt en het helpt keer op keer. Na een vondst blijven de mensen angstvallig dicht bij huis. Overigens worden de hoofden nooit teruggevonden.’ Ik slikte.
‘En van degenen die voorgoed weg zijn, is over hen iets bekend?’
‘Er gaan geruchten dat ze nooit gelukkig worden in een nieuwe omgeving, vermoedelijk in omloop gebracht om een aanzuigende werking tegen te gaan.’
Er viel een stilte waarin ik piekerde, onvoldaan. Het viel me op dat zijn manier van praten tot spreken overging, je kon de hoofdletters bijna horen.
‘Zijn de mensen in jouw dorp gezond?’
‘Jazeker, afgezien van griepjes en normale aandoeningen  als een gebroken been.
‘Maar gaan ze nooit verderop? Zelfs in de oertijd had men een besef van inteelt.’
‘Slimme zus’. Opnieuw negeerde ik hem, concentreerde me op mijn vraag en wachtte af.
‘Ik verzeker je dat ze geen andere stoornissen hebben dan de Gave, niet meer dan de gemiddelde mens.’
‘Gemiddeld? Praktisch afgesloten van de wereld?’  Het sarcasme verhulde ik niet.
‘Kijk Bertje, geïsoleerd wonende mensen ontwikkelen eigenaardige trekjes,’ bijna als een verontschuldiging kwam hij met deze opmerking.
Maar een antwoord was het niet.

kleding

Bobbeltjes

We keken altijd uit naar de verjaardagen van pa en moe.
Naar familiebezoek, in het bijzonder van de oude tantes.
Onder hun jurken (steevast zijdeachtig, gedekt bruin, blauwgrijs of beige met frivool bloemetjesdessin) staken van die rare bobbeltjes uit op hun achterste. Dat fascineerde ons, we zagen ze bij onze eigen moeder nooit.
Met name de magere tantes leken ware bobbeltjesfanaten, bij hen zag je zelfs grote punten aan hun zijkanten uitsteken alsof ze in een houten onderbroek rondliepen.
Als kinderen van een groot gezin wisten we natuurlijk dat het verschijnsel door korsetten veroorzaakt werd , die ook door strijkplanken gedragen werden want dat hoorde zo.
Het moeten oude modellen geweest zijn (de korsetten bedoel ik), vreselijke dingen met veters en baleinen, die weliswaar mooie vormen beloofden maar dikke buiken en slappe billen alleen maar in vreemde vormen wrongen en nooit goed aansloten.
Wij dachten dat de jongere familie het ook raar vond, er werd tenminste behoorlijk gelachen naarmate de avond vorderde.
Achteraf denk ik dat het juist de ouwe omes  waren;  zij zagen voor hun geestesoog een Madonna avant la lettre.
Verboden Vruchten.

            

dialoog·Geen categorie

Moppermans verjaardag

Hé pa, gefeliciteerd, het feestzonnetje schijnt. 
-Wat helpt dat?
Waar tegen?
-Bezuinigen op ziekenzorg
Tja..
..geen WK in zicht
Wat kan jou dat schelen?
..waardeloos voetbal
Ach, toe!
..en die omkoopmaffia
Begin je nou weer?
..ze hebben de boel belazerd
Dat wisten we toch van te voren?
..Brabant vergeven van de wiet
Hè ja, haal dat er ook effe bij.
..post naar België
Niet waar, nog niet
..PvdA opgedoekt
Pa, schei  uit.
..en die.. wat zeg jij daar?
Schei uit met dat gemopper. ’t Is lente pa.
– Nou en?
Kun je niet één keer genieten?
– Waarom zou ik?
Je bent jarig.
-Daar ben ik jarig mee
Da’s traditie pa, dat weet je toch?
– Ik houd me aan mijn eigen traditie..
Zucht..
– ..mijn feestchagrijn.
Ik zie het, pa.

vervolgverhaal

Mist 8

Mijn gedachten hield ik voor me. Aandachtig volgde ik zijn verdere uitleg.
‘Ze gaan op zoek naar weglopers,’ begreep ik.
‘Ja, wanneer ze er een hebben getraceerd maken ze hem zo bang dat hij of zij letterlijk verstijft waarna het een koud kunstje is de geest van de wegloper te beïnvloeden. Is dat gelukt -dat is bijna altijd het geval- keert het slachtoffer terug  naar de streek en zijn de gaven veilig gesteld.’
‘Hmmm…’
‘Moeilijk te geloven, dat had ik je al voorspeld. Een van mijn gaven.’ Het sarcasme raakte me.
‘Maar,’ ik zocht naar woorden voor de vele vragen die ik nog steeds had, ‘vertrekken er nooit mensen die het wèl klaarspelen?  We leven is de eenentwintigste eeuw, een andere identiteit is gauw gemaakt. Ik kan me niet voorstellen dat dergelijk plaatsen bestaan, niet in Europa. Kranten, Internet, tv, Roemenië is Afrika niet.’
Hij dacht na. ‘Ben je wel eens in zo’n achterafdorp geweest? In Frankrijk, Italië, wat dacht je van Noorwegen?’
‘O ja, vaak genoeg met ouders en zus. We hebben nooit iets gemerkt; in Ierland zochten we naar druïden en elfen, in Zweden naar trollen. In Duitsland verdwaalden we bijna in het Zwarte Woud, we vonden nooit wat.’
‘Echt niet?’
‘Nee, we lachen er om. Het is verbeelding die je parten speelt. Laagstaande zon op open plekken, dauw die door bomen sliert, geluiden die in bergen vreemde echo’s veroorzaken. Je denkt automatisch aan griezelverhalen.’ Heftig verdedigde ik mijn hoop op realisme zijnerzijds.  Hij moest het begrijpen, ik wilde het.
Peilend keek hij me peilend aan, me onbehaaglijk voelend zei ik er iets van.’Je doet niets anders dan me aanstaren, vind je mij soms ook eng?’
Hij zuchtte.
‘Bertje, waarom ben je bang voor mij?’
Nu staarde ik hèm aan.
Hoe kon hij weten dat ik hem zo niet eng dan toch ’n beetje duister vond?