attractiepark

Dagje uit

Een paar weken geleden was ik te gast in een bijzonder attractiepark, het Rijk Der Geesten genaamd. Het bood  alles wat  daar bij hoort, zelfs een slot met ophaalbrug.
Het was er zo rustig dat ik een persoonlijke rondleiding van de gastheer kreeg.
Eerst liet hij de attributenkamer zien, een naargeestig begin vol zware ijzeren kettingen die agressief rammelden bij  nadering; duistere aureolen die losjes in een hoek zweefden; kerm-en-kreungeluiden.
Hij zag me schrikken en voerde me haastig naar de ontspanningsruimte. Daar hingen over alle meubelen stoflakens dus bleef ik midden in het vertrek staan.
‘Ze doen niks’ zegt hij en stompte er een van de bank af. Het bleek een spook te zijn dat zijn plaats aan mij moest afstaan, mopperend ging hij op het plafond zitten.
De gastheer keek me schattend  aan. ‘Als je durft kan ik je wel wat beters laten zien, het echte werk….’   Voor mijn geestesoog zag ik hem verlekkerd in een knarsend ijzeren pak kruipen, schril krijsend door de muren stampend.  Aarzelend vroeg ik wat ik te zien kreeg, zei verontschuldigend dat ik rustig wilde slapen vannacht.
‘Het valt mee hoor, na afloop krijgt U een kopje thee om te bekomen. Oké? Goed. Blijft absoluut achter me, een paar eh, medewerkers spelen tè echt.’  Meteen verdween hij door de muur. Huh?  Zeker een toneeldecor. Ik liep hem na en botste met een klap tegen de stenen. De lakens lachten me gillend uit, joelend deden ze me na en sloegen zich op de plooien van plezier.
De gastheer verscheen, ‘pardon, ik vergat Uw constitutie, altijd goed voor een pretje,’ knikkend naar de lakens.
‘Knappe performance,’ bracht ik uit. ‘Hoe doet U dat?’
Geen antwoord, slechts een wenk, deze keer naar de deur.
In een naargeestige gang kwam ons een holle lach tegemoet en ja, daar knerste het verwachte harnas. Een bezemsteel stak uit het vizier. Er hing een hoofd aan, de mond ging geluidloos open en dicht.  Gadverdamme.
‘Meneer, stop maar, ik ga liever naar huis.’
‘Bent U bang?’
‘Ik vind er niets aan, sorry. Bedankt voor de moeite en succes met de volgende bezoekers.’
Ik haastte me naar de uitgang maar kon niet een grijnzend doodshoofd vermijden dat met lichtende ogen naast me bleef tot de buitendeur. De brug liet me nog net gaan voor hij gierend opgehaald werd.
Rillend stapte ik in de auto, opgelucht reed ik weg.
Het leek wel echt, ik ga er nooit mee naar toe.

 

 

vervolgverhaal

Mist 12

‘Waaaahhh,’ P gaapte uitgebreid in mijn haar waardoor ik meteen wakker werd.
‘Is dit nou love at first bite? Wat denk je? Vertel me. Eerst een kus. Waar?’
We plaagde en vrijden nog wat voor we opstonden.  P was levendig en fit, zelf was ik juist onrustig ondanks de sexy nacht.
Het was zeven uur, het rottige tijdstip dat je beter de gordijnen dicht kon hebben, vooral op een kille herfstochtend. De kleur van de dag is beroerd, half licht of half donker hetgeen je het woord hazegrauwen doet begrijpen. Gevoegd bij P’s problemen voelde ik onvrede.
Van de douche knapte ik wat op.  Opgeruimder stond ik net voor de spiegel toen ik hem hoorde roepen, hij noemde mijn naam en vreemde woorden die me niets zeiden. Terstond waren de raadsels er weer. Ik vloog naar de slaapkamer, daar stond hij voor het raam, woedend nu, ‘pas op Roman,’schreeuwde hij, ‘Bertje is míjn…’
Er was niemand buiten, niets dan duistere mist.
P zag wel iets. Of iemand.  Was het de Roman tegen wie ik hem al tweemaal hoorde spreken?
Ik wist het niet en wachtte, minder bang nu er geen griezels te zien en te ruiken waren.
Na een paar seconden veranderde zijn houding en gezichtsuitdrukking, verzachtend naar mij toe.
‘Geloof je me nog?’ Ik knikte. ” Zag je het?’  Nee, schudde ik. Verbaasd herhaalde hij ‘Helemaal niets? Echt niet?’
‘Echt niet, alleen mist en dat het lang donker blijft vandaag.
Hij wees naar het raam ‘kijk dan nog eens.’
Op mijn beurt verwonderde ik me, de nacht was opgetrokken, de lucht was helder.
‘Maar,’ ik stokte, ‘hoe kan dat, waar zijn de schemer en mist gebleven?’
‘Dat was Roman, iemand die zich bij voorkeur in nevelen hult. Daarin houdt hij zich schuil en denkt me voor de gek te houden, ha, hij weet nog niet hoe sterk in intussen ben.’
Hij dacht even na, besloot toen een volgende tip op te lichten. ‘Roman heeft me éénmaal mijn geliefde afgenomen en tweemaal mijn kind,’  smart werd zichtbaar, ‘ik laat hem niet jou ook nog weghalen.’
Verdriet veranderde via woede in haat, nooit eerder kende ik iemand met een gezicht zo vervuld van expressie.