Voorbij

Het is stil.
De sfeerkaars suist, speelt bij tochtvlagen een variatie.
Ik zit aan de toetsen en tik. Mijn brein flitst, alles wat ik bedenk wordt genoteerd.
Het kaarsengespetter stuurt me richting romantiek.
Ideeën dienen zich aan.  Ze  laten zich met moeite vangen. Van enkele vind ik een spoor terug in de tekst, de meeste vervluchtigen, verjaagd door nieuwe, opdringeriger invallen.
Koppig ga ik door. Scènes volgen elkaar op, langer wordt het verhaal, intenser de plot.
Als een bezetene vlieg ik over de toetsen, begerig naar het einde dat zich ontvouwt tot een drama dat ik niet voorzie.
Nog een inval, een laatste idee, alweer een paar woorden, niet teveel? geeft niks, bewerken volgt nog.
Tenslotte ligt er een redelijk concept.
Overlezen?
Beter een nachtje laten liggen.

Volgende ochtend lees ik, zie dat het tegenvalt en delete, plak, kopiëer, voeg nieuwe zinnen toe. Sleep, weer terug, schift met pijn.
Gespannen lees ik opnieuw.
En huil om het zoveelste mislukte verhaal.
Het allerlaatste.
==

Advertenties

Mist 9

Was mijn gezicht een open boek? Maakte hij gebruik van telepathie?
De eerste keer dat hij op mijn angst zinspeelde was in het bos, hij noemde me zijn zusje.  Wat had dat met bang zijn te maken? Nog meer geheimzinnigheden die ik verduidelijkt wilde.
Voorlopig negeerde ik zijn vraag, in plaats daarvan stelde ik hem er een.
‘Je gaf geen antwoord P,  gaan er ook mensen weg die niet meer terugkomen?’
‘Ja, een enkeling krijgt het voor elkaar. En een paar daarvan worden gevonden door lokale bewoners elders.’ Hij maakte het keelgebaar.’ Onthoofd.’
Ontzet reageerde ik. ‘Dat is afschuwelijk, dat meen je toch niet?’
‘Reken maar. Zie het als een waarschuwing: wanneer je je niet aan onze regels houdt nemen we je hoofd. Ze zorgen dat het bekend wordt en het helpt keer op keer. Na een vondst blijven de mensen angstvallig dicht bij huis. Overigens worden de hoofden nooit teruggevonden.’ Ik slikte.
‘En van degenen die voorgoed weg zijn, is over hen iets bekend?’
‘Er gaan geruchten dat ze nooit gelukkig worden in een nieuwe omgeving, vermoedelijk in omloop gebracht om een aanzuigende werking tegen te gaan.’
Er viel een stilte waarin ik piekerde, onvoldaan. Het viel me op dat zijn manier van praten tot spreken overging, je kon de hoofdletters bijna horen.
‘Zijn de mensen in jouw dorp gezond?’
‘Jazeker, afgezien van griepjes en normale aandoeningen  als een gebroken been.
‘Maar gaan ze nooit verderop? Zelfs in de oertijd had men een besef van inteelt.’
‘Slimme zus’. Opnieuw negeerde ik hem, concentreerde me op mijn vraag en wachtte af.
‘Ik verzeker je dat ze geen andere stoornissen hebben dan de Gave, niet meer dan de gemiddelde mens.’
‘Gemiddeld? Praktisch afgesloten van de wereld?’  Het sarcasme verhulde ik niet.
‘Kijk Bertje, geïsoleerd wonende mensen ontwikkelen eigenaardige trekjes,’ bijna als een verontschuldiging kwam hij met deze opmerking.
Maar een antwoord was het niet.