Mist 8

Mijn gedachten hield ik voor me. Aandachtig volgde ik zijn verdere uitleg.
‘Ze gaan op zoek naar weglopers,’ begreep ik.
‘Ja, wanneer ze er een hebben getraceerd maken ze hem zo bang dat hij of zij letterlijk verstijft waarna het een koud kunstje is de geest van de wegloper te beïnvloeden. Is dat gelukt -dat is bijna altijd het geval- keert het slachtoffer terug  naar de streek en zijn de gaven veilig gesteld.’
‘Hmmm…’
‘Moeilijk te geloven, dat had ik je al voorspeld. Een van mijn gaven.’ Het sarcasme raakte me.
‘Maar,’ ik zocht naar woorden voor de vele vragen die ik nog steeds had, ‘vertrekken er nooit mensen die het wèl klaarspelen?  We leven is de eenentwintigste eeuw, een andere identiteit is gauw gemaakt. Ik kan me niet voorstellen dat dergelijk plaatsen bestaan, niet in Europa. Kranten, Internet, tv, Roemenië is Afrika niet.’
Hij dacht na. ‘Ben je wel eens in zo’n achterafdorp geweest? In Frankrijk, Italië, wat dacht je van Noorwegen?’
‘O ja, vaak genoeg met ouders en zus. We hebben nooit iets gemerkt; in Ierland zochten we naar druïden en elfen, in Zweden naar trollen. In Duitsland verdwaalden we bijna in het Zwarte Woud, we vonden nooit wat.’
‘Echt niet?’
‘Nee, we lachen er om. Het is verbeelding die je parten speelt. Laagstaande zon op open plekken, dauw die door bomen sliert, geluiden die in bergen vreemde echo’s veroorzaken. Je denkt automatisch aan griezelverhalen.’ Heftig verdedigde ik mijn hoop op realisme zijnerzijds.  Hij moest het begrijpen, ik wilde het.
Peilend keek hij me peilend aan, me onbehaaglijk voelend zei ik er iets van.’Je doet niets anders dan me aanstaren, vind je mij soms ook eng?’
Hij zuchtte.
‘Bertje, waarom ben je bang voor mij?’
Nu staarde ik hèm aan.
Hoe kon hij weten dat ik hem zo niet eng dan toch ’n beetje duister vond?

Advertenties