Mist 5

Als gehypnotiseerd staarden we. De wereld stond stil, een tel, twee of meer,  krimpend onder  kwaadaardigheid die uit die ogen straalde.  Ze schenen iets te zoeken. Ik kon niet gillen of ademen en wendde me tot P die lijkwit was.
Hij  prevelde een paar woorden waarbij hij een klein gebaar maakte. De ogen verdwenen, een vage geur achterlatend die deed denken aan de stank van de schim.
‘Wat was dat in hemelsnaam?’  huiverend kwam ik tot bezinning, intussen minder bang voor gekte bij P dan voor de afschuwelijke dingen die we tegenkwamen.
‘Voorlopig zijn we veilig Bertje, laten we naar huis gaan. Nu vinden we de weg.’  Zijn kleur was terug, zijn houding opnieuw kalm.
Inderdaad zagen we al gauw de omheining die het grazersgebied afbakende en volgden het.
Toch kon ik niet zomaar omschakelen alsof er niets gebeurd was. Ik wilde wegrennen.
P begreep me. Hand in hand holden we over de mossen, zagen niets van de opgeklaarde lucht met wazige wolken en vertrouwde herfstbeelden. Na enkele minuten kwamen we bij een open plek met rustbanken.
We ploften neer. ‘Je moet het me absoluut uitleggen, dit is geen kwestie van natuurlijke vervorming en aan bijgeloof geloof ik niet meer.’
‘Dus dàt dacht je,’ antwoordde hij geamuseerd. Verbaasd keek ik hem aan.
Waar was die bleke jongen met dat starre gezicht en verdrietige ogen?
Hij stond op. ‘Koffie. Eten. Mist maakt hongerig, kom op, dan zal ik straks alles uitleggen. Eerst de fietsen, weet jij in nog welk pad die staan?’
‘Als ze niet gestolen zijn,’ nog steeds zenuwachtig vloog ik overeind, liep rond en vond ze vrijwel meteen. Goddank.
Kalmpjes, opvallend op zijn gemak liep P naar me toe. Het irriteerde me.
‘Doe niet zo superieur,’ viel ik uit, je was net zo bang als ik. Ik zag het wel.’

Einde van een carrière.

De man twijfelde.
Bruine winterjas? Zwartleren? Of toch maar de regenjas?
De laatste was het meest geschikt maar niet warm genoeg, dan had hij helemáál niets meer over. Hij was al geen held en als er ook nog weinig te zien was, om je dood te schamen. Nog hoort hij de stemmen die hem bespotten, ‘zal ik warm water halen? Dan groeit ‘ie wel,’ er werd gelachen, keihard.
Met veel geluk had hij weten weg te komen, bijna huilend van ellende bereikte hij de auto. Thuis was hij ver onder het dekbed gekropen, de afgang was te groot geweest. Hij stopte ermee, zwoer hij.
Na een paar weken echter drong de noodzaak zich weer op, hij kon er niets tegen doen en besloot nog één keer te gaan. Om het af te leren, hield hij zichzelf voor. In de zwartleren ditmaal, dat die weinig opviel kon hij verhelpen door luider te roepen. Hij oefende, ‘psssst… PSSSST’.  Niet slecht, dacht hij.

Lang hurkte hij tussen de heggen van een woonwijk, voorzichtig loerend, beducht voor groepen jongens. Pas toen hij een oudere vrouw zag ging hij staan met zijn jas wijd open. ‘Psst, kijk es…’
De vrouw stopte, keek om en riep ‘Is daar iemand? Ik heb mijn bril niet op ziet U, bent U Uw kat kwijt? Poespoespoesie, poessss.’
Verslagen knoopte hij de jas dicht, mompelde een bedankje en schoot weg.
Dit was het definitieve einde, wist hij. Hij had slechts een potloodje, hij werd niet eens gezien.
Met hangende schouders slofte hij naar huis.
Schlemielig.