Mist 4

Zijn gezicht, een toonbeeld van verdriet zo groot dat ik hem zijn gekte vergaf en impulsief mijn armen om hem heen sloeg.
‘P, de dingen zijn nooit zo erg als je denkt, het monster is weg. Kom met me mee, het is bijna etenstijd.  We moeten het pad nog zoeken en de fietsen. Kom.’
Zachtjes trok ik aan zijn mouw, tot mijn opluchting gaf hij toe. We liepen een willekeurige richting in,
‘Kijk,’ wees ik voor ons uit, ‘daar wordt het lichter. Inderdaad leek de zon een opening te zoeken; hier en daar verdampten de nevels,  langzamerhand vertoonde het bos zich in zijn bekende outfit.
Ik had  geen idee van de plek waar we ons bevonden maar maakte me geen zorgen, dit was geen oerwoud.  Daarbij kende ik  alle fiets- en wandelpaden die kris-kras door het bos liepen.
Aan de onbeschadigde bomen en struiken te zien waren we buiten het gebied van de grote grazers, we konden elk moment op een wegwijzer stuiten, op stemmengeluid of jeepgeronk van boswachters.
Opgelucht lachte ik naar P. ‘Dit is Roemenië niet, hier is het simpel en toch ook mooi?’
Ik stopte, graaide in een berg bladeren om over zijn hoofd te strooien.
Hij toverde zowaar een lachje te voorschijn, wierp ze terug, speels schopten we in het geritsel. Alles leek zoals het hoorde.
Opgewekter wandelde ik voort, de nu zichtbare oneffenheden met gemak ontwijkend. Als de fietsen niet zoek waren zou het een prettige boswandeling zijn.
Toch kriebelde er onzekerheid.  Het duurde te lang, we hadden al lang bordjes of rustplekken moeten zien.
‘We zitten in de Kringloop,’ grapte ik gewild luchtig, beducht voor nieuwe paranoïde uitingen.
Geen antwoord. Ik draaide naar hem toe, ‘P? Wat..’  hield op toen hij zijn hand ophief en naar boven wees.
En daar… gloeiende goden. Di bestaat niet, dacht ik, smeekte ik, dit kan niet, zeg dat het niet echt is.
Ik had geen woorden voor de meest angstaanjagende ogen ooit, hoog tussen de bomen.
En ze keken naar ons.
Advertenties