Mist 3

Ik dook in elkaar, het hoofd zo diep mogelijk naar beneden, bang voor wat ik te zien zou krijgen. Iets wat zo stonk moest wel erg lelijk zijn.

Snuivend hoorde ik het heen en weer lopen, het vond ons niet en het afschuwelijke geluid stierf weg. Voorzichtig kwam P overeind.  Hij pakte mijn hand, ‘kom.’
Voor het ogenblik gerustgesteld stond ik naast hem, niet wetend wat te zeggen.
‘Bertje,’ hij streelde mijn arm, ‘je hoeft niet bang voor me te zijn, ik zal je nooit kwaad doen, Je bent immers mijn zusje.’
‘Wat? Maar, hoezo dan, bedoel je…’ -Vooral niet boos maken, dacht ik, rustig blijven- ‘ik dacht dat je een kennis van tante Petri was,  je logeert toch bij haar?’
‘Dat ben ik ook. En jouw broer.’
Hoewel ik mijn best deed me te beheersen zag hij de verwarring in mijn ogen.
‘Je snapt het niet hè,’ over mijn haar strijkend. ‘Zodra we hier uit zijn zal ik het uitleggen. Oké?’ Opgelucht knikte ik, dit klonk aanmerkelijk normaler dan zijn zusjespraat. Met minder angst liep ik mee over de struikelige bosgrond.
Nevelslierten hielden het bos in hun sinistere greep; het klaarde nog steeds niet op ondanks het late morgenuur.
Intussen piekerde ik over de vreemde reacties van P. Was het de opvallend hardnekkige mist die hem beïnvloedde? De natuur haalde wel vaker eigenaardige dingen uit met iemands waarnemingsvermogen. En wie weet waar P vandaan kwam?
Roemenië is dunbevolkt, heeft oeroude bossen, waarschijnlijk nog streken waar bijgeloof de boventoon voert.  De stap naar een weerwolf zou niet groot zijn. Van de andere kant was het een Europees land, je zou denken dat …  diep in gedachten merkte ik niet dat er nog steeds geen spoor was van een bekend pad.
P hield me staand. ‘Het lukt niet’ zei hij cryptisch, ‘ik moet de confrontatie aangaan’ en riep ‘Roman, heb je nog niet genoeg?’
Treurig stonden zijn ogen.
Verwezen stond ik.

Tuinwerk

Eens liepen vriend en ik door het tuintje van een zus.  We aaiden de kat en bevoelden de perziken.
Ze waren nog niet rijp, wel merkten we iets anders: de bodem veerde. Vreemd, bij elke stap hupten we ’n beetje, een gekke  gewaarwording. De kat opende een geërgerd oog. Hij hupte niet.

‘Wat is dat nou?’ vroeg vriend.
Er schoot me niets anders te binnen dan een flauwe grap. ‘Dat is speciale mest voor dit perzikenras, tegen de rot.’
‘Wat raar…’ Hij geloofde me niet.
We hupten wat heen en weer en net wilde ik toegeven dat ik het niet wist toen zus er bij kwam. Ze zag ons springen.
‘Je heb het al gevonden. Goed idee van ons hè, we wisten niet wat we er mee aan  moesten en wilden het niet bij de vuilnis  zetten.’
Ze zag ons onbegrip.
‘Dat oude grote matras weet je wel, met die binnenvering.’
Onze breinen werkten te traag. Wat wil je, met al dat gehups.
Luid en langzaam zei ze  ‘We-hebben-het-ding-hier-begraven…. ‘