Hard zijn. Soms moet het

Planten vermoord
zaadjes gesmoord
beestjes de kop afgestoken
wortels verstoord
puin opgespoord
onkruid en troep toegesproken
de tuin vindt het goed
begrijpt dat het moet
gewillig laat hij zich verpijnen
herkent bitterzoet
verwelkomt gewroet
wachtend op bloemenfestijnen

Advertenties

Dear John

‘Dit zijn de allerlaatste woorden die je van me krijgt..
Ik ga weg, voorgoed.
Ik heb genoeg van je, je gezeur om ‘leuke’ spelletjes, de parenclubs, je almaar eigenaardiger wensen.
De gekneusde schouder was al erg maar de hap uit mijn teen was tè genant, en je nieuwste voorstel deed me besluiten definitief te vertrekken.
Ik laat me niet meer overhalen tot achterlijke sextoeren, je gaat maar naar een bordeel al is het zeer de vraag of ze je willen bedienen. Waarschijnlijk lachen ze je in je gezicht uit.
Misschien dat een psychiater iets voor je kan doen?
Hoe dan ook, ik ga weg.
Zoek maar iemand anders voor dat triootje met Bokito.
Tot nooit,

Gina.’

Mist 13

P zei niets meer, zijn zwijgen was beklemmend genoeg. Ik zou niet graag in de schoenen van zijn vijanden staan, vooropgesteld dat deze überhaupt schoenen droegen. Was Roman wel een persoon? Een abstractie? Hoe moest ik me een ‘gedachte’ voorstellen? Of bedoelde P datgene wat hij het Kwaad noemde?
Herhaaldelijk verzonk ik in gepeins, de laatste dag had ik meer gepiekerd dan in mijn hele vorige leven. In mijn..   Er flitste wat in mijn hoofd, hoe kwam ik daar bij? ‘P,’vroeg ik geschrokken, ‘wat gebeurt er? Hoe komen mijn gedachten zo eigenaardig? P?’ Ik drong aan.
Hij keek me met zoveel warmte aan dat mijn schrik direct verdween, meteen nam een vinniger gevoel de plaats in. ‘Wie was trouwens die vorige geliefde?’
Ai.
Dat had ik beter niet kunnen vragen.
Hij vertoonde een woede zo snel opvlammend dat ik achteruit deinsde. Zijn ogen bliksemden bijna letterlijk.
Mijn god, gebeurde dit echt?
‘Bertje, terg me niet met jaloezie. Daar heb ik geen tijd voor, zij heeft niets te maken met wat jij voor mij betekent. Haar verdwijning was vooral vreselijk doordat het mijn kinderen meesleurde, je hebt geen idee van de pijn.’
Hij deed zichtbaar moeite zich te beheersen.
Andermaal kreeg ik medelijden – hoe vaak al?- en betreurde de vraag.  Toch voelde ik me in de hoek gezet en probeerde dat duidelijk te maken.
‘Luister P, ik houd van je, weet je nog? Je reageert zo heftig dat ik het straks niet meer durf te zeggen, laat staan een vraag stellen. Is dat wat je wilt?’
Hij sloeg de armen om me heen. ‘Het spijt me Bertje,’ berouwvol, ‘ik ben te impulsief.’ Primitief verbeterde ik in stilte. ‘Ik wil je niet kwetsen, nooit. Het is wanhoop om alles, dacht ik ze te hebben afgeschud, halen ze me alsnog in. Niet kwaad zijn, toe…’
Vleiend streken zijn lippen langs mijn gezicht, precies de goede manier om me mild te stemmen.
We gingen terug naar bed

 

Voorjaarszomerbuien

Morgen tweeëntwintig graden C.

Het is toch wat, zomervakantieweer terwijl je kapstok en kasten nog vol hangen met winterkleren. Nou ja, semiwinterkleren, in ieder geval niet geschikt.
Zelf had ik er gister al moeite mee. In mijn haast naar buiten griste ik het eerste shirtje mee dat vooraan op het zomerschap lag, trok het aan en zonk verzaligd in de zonnestoel.
Badend in het zweet merkte ik dat het een thermo-hemd was, speciaal voor barre winters. Geen idee hoe dat bij de zomerstapel terecht kwam.
Dat krijg je ervan met die maartse zomers. Daar wordt een mens vreemd van.  Stel dat dit zo doorgaat; ik zie het er nog van komen dat we in zwempak naar de paasdiensten gaan, pastoors en dominees in tangashorts, geminirokte nonnen, Praise the Sun zingend.  Voor de kleintjes puffende paashazen met slappe oren en mandjes kokende eieren, jankende kinderen die liever een ijsje hadden.
Gottegot, wat een vooruitzicht.
Nu al een zonnesteek,  moet de zomer nog beginnen.

Dagje uit

Een paar weken geleden was ik te gast in een bijzonder attractiepark, het Rijk Der Geesten genaamd. Het bood  alles wat  daar bij hoort, zelfs een slot met ophaalbrug.
Het was er zo rustig dat ik een persoonlijke rondleiding van de gastheer kreeg.
Eerst liet hij de attributenkamer zien, een naargeestig begin vol zware ijzeren kettingen die agressief rammelden bij  nadering; duistere aureolen die losjes in een hoek zweefden; kerm-en-kreungeluiden.
Hij zag me schrikken en voerde me haastig naar de ontspanningsruimte. Daar hingen over alle meubelen stoflakens dus bleef ik midden in het vertrek staan.
‘Ze doen niks’ zegt hij en stompte er een van de bank af. Het bleek een spook te zijn dat zijn plaats aan mij moest afstaan, mopperend ging hij op het plafond zitten.
De gastheer keek me schattend  aan. ‘Als je durft kan ik je wel wat beters laten zien, het echte werk….’   Voor mijn geestesoog zag ik hem verlekkerd in een knarsend ijzeren pak kruipen, schril krijsend door de muren stampend.  Aarzelend vroeg ik wat ik te zien kreeg, zei verontschuldigend dat ik rustig wilde slapen vannacht.
‘Het valt mee hoor, na afloop krijgt U een kopje thee om te bekomen. Oké? Goed. Blijft absoluut achter me, een paar eh, medewerkers spelen tè echt.’  Meteen verdween hij door de muur. Huh?  Zeker een toneeldecor. Ik liep hem na en botste met een klap tegen de stenen. De lakens lachten me gillend uit, joelend deden ze me na en sloegen zich op de plooien van plezier.
De gastheer verscheen, ‘pardon, ik vergat Uw constitutie, altijd goed voor een pretje,’ knikkend naar de lakens.
‘Knappe performance,’ bracht ik uit. ‘Hoe doet U dat?’
Geen antwoord, slechts een wenk, deze keer naar de deur.
In een naargeestige gang kwam ons een holle lach tegemoet en ja, daar knerste het verwachte harnas. Een bezemsteel stak uit het vizier. Er hing een hoofd aan, de mond ging geluidloos open en dicht.  Gadverdamme.
‘Meneer, stop maar, ik ga liever naar huis.’
‘Bent U bang?’
‘Ik vind er niets aan, sorry. Bedankt voor de moeite en succes met de volgende bezoekers.’
Ik haastte me naar de uitgang maar kon niet een grijnzend doodshoofd vermijden dat met lichtende ogen naast me bleef tot de buitendeur. De brug liet me nog net gaan voor hij gierend opgehaald werd.
Rillend stapte ik in de auto, opgelucht reed ik weg.
Het leek wel echt, ik ga er nooit mee naar toe.

 

 

Mist 12

‘Waaaahhh,’ P gaapte uitgebreid in mijn haar waardoor ik meteen wakker werd.
‘Is dit nou love at first bite? Wat denk je? Vertel me. Eerst een kus. Waar?’
We plaagde en vrijden nog wat voor we opstonden.  P was levendig en fit, zelf was ik juist onrustig ondanks de sexy nacht.
Het was zeven uur, het rottige tijdstip dat je beter de gordijnen dicht kon hebben, vooral op een kille herfstochtend. De kleur van de dag is beroerd, half licht of half donker hetgeen je het woord hazegrauwen doet begrijpen. Gevoegd bij P’s problemen voelde ik onvrede.
Van de douche knapte ik wat op.  Opgeruimder stond ik net voor de spiegel toen ik hem hoorde roepen, hij noemde mijn naam en vreemde woorden die me niets zeiden. Terstond waren de raadsels er weer. Ik vloog naar de slaapkamer, daar stond hij voor het raam, woedend nu, ‘pas op Roman,’schreeuwde hij, ‘Bertje is míjn…’
Er was niemand buiten, niets dan duistere mist.
P zag wel iets. Of iemand.  Was het de Roman tegen wie ik hem al tweemaal hoorde spreken?
Ik wist het niet en wachtte, minder bang nu er geen griezels te zien en te ruiken waren.
Na een paar seconden veranderde zijn houding en gezichtsuitdrukking, verzachtend naar mij toe.
‘Geloof je me nog?’ Ik knikte. ” Zag je het?’  Nee, schudde ik. Verbaasd herhaalde hij ‘Helemaal niets? Echt niet?’
‘Echt niet, alleen mist en dat het lang donker blijft vandaag.
Hij wees naar het raam ‘kijk dan nog eens.’
Op mijn beurt verwonderde ik me, de nacht was opgetrokken, de lucht was helder.
‘Maar,’ ik stokte, ‘hoe kan dat, waar zijn de schemer en mist gebleven?’
‘Dat was Roman, iemand die zich bij voorkeur in nevelen hult. Daarin houdt hij zich schuil en denkt me voor de gek te houden, ha, hij weet nog niet hoe sterk in intussen ben.’
Hij dacht even na, besloot toen een volgende tip op te lichten. ‘Roman heeft me éénmaal mijn geliefde afgenomen en tweemaal mijn kind,’  smart werd zichtbaar, ‘ik laat hem niet jou ook nog weghalen.’
Verdriet veranderde via woede in haat, nooit eerder kende ik iemand met een gezicht zo vervuld van expressie.

Winkelsport

In de supermarkt.
Groente en fruit, beetje van dit, van dat.
Daarna volgen de gevarenzones: te vet of te zoet of teveel.
Koelvitrines met voorverpakte aardappelschijven, krieltjes, nog meer aardappels, die ik niet koop omdat ik gegarandeerd de grootste hoeveelheid neem en ze allemaal opeet in één maaltijd. Grote boog maar rechts.
Andere vitrines. K+k fruit, veel te duur voor een handje suikergoed. Snel voorbijrennen..
Salades. Eier-tonijn-komkommer-kip-kipkerrie-enzovoorts. Als een haas achteruit en rechtsaf.
Hammen. Kaassoorten. Huphup, naar ander pad.
Droge salami’s, cervelaatjes, twijfel…NEE, vort!
Koek. Chocolade. Snacks. Weer een spurtje.
En zo slalom ik de winkel door tot ik bijna voor pampus over m’n fiets hang.
Thuis neem ik een kopje magere thee met een chocolaadje als troost. Misschien twee.

De natuur is een kei

De nieuwe baby heeft de grijze ogen en het bruine haar van mamma, evenals de kleine oortjes.
In de rest van het hoofdje, nek en hals zie je duidelijk pappa.
Rug en schoudertjes verraden opa één terwijl de brede handjes en voetjes naar opa twee wijzen.
Oma een en twee manifesteren zich respectievelijk in de stevige ledematen en het bolbuikige rompje.
De overige voorvaderen houden zich schuil in de organen en proberen de dna-touwtjes stevig in handen te houden voor het geval de nieuwe combinatie op hol slaat.
Knap dat de natuur dit keer op keer op keer voor elkaar krijgt. Je staat er telkens weer versteld van.

Mist 11

Wie zou verwachten dat ik binnen één etmaal omgeturnd was van afwijzing naar begrip? Ikzelf allerminst, kinderlijke sprookjesfantasie was ik al jaren te boven, met bijgeloof hield ik me niet op.
Nu brak ik het hoofd over problemen van iemand die mentaal werd belaagd door draculaanse figuren omdat ze hem wilden transporteren naar Roemenië.  Als het daarbij bleef, even groot was de kans dat ze hem onthoofdden.
Door mee te gaan in zijn angst werd dit een afschuwelijke gedachte, temeer daar ik niet tot helpen in staat was.
Uit alle macht probeerde ik een ander, draaglijker pad te vinden en greep elke kans op afleiding aan.
In het café waar Trina de bierscepter zwaaide, kon ik me weer ontspannen tot er zich opnieuw vragen aandienden. Zou P echt alles opbiechten? Geërgerd dronk ik de zwartdenkerij weg met een glas bier.
Er klonk een onbekend liedje, aantrekkelijk, ‘kom,’ wenkte ik, ‘Roemenen kunnen vast wel dansen.’
‘Met jou? Wat denk je?’
Zijn handen op mijn heupen, de mijne om zijn nek, even aarzelend, dan soepel, snel en met passie. Vergeten de angst, bijna verliefd keek ik hem aan. En schrok,  zijn ogen waren donker. Toch niet weer…
Nee. Ik zag een andere uitdrukking, absoluut niet broederlijk, eerder broeiend, een blik die me deed blozen.
Vaster hielden zijn handen me, we gloeiden.
De muziek stierf weg evenals de laatste passen die we al te vurig zetten gezien het applaus van de andere klanten. Lacherig  doken we in een schuimkraag.
‘En nu? Als ik je zusje ben, ik bedoel, wil je, eh, dit kan niet.’ Hij pakte mijn hand.
‘Bertje, dat is slechts symbolisch.’ Hij klonk hees. ‘Naar huis?’ Ik knikte
Ineengestrengeld kwamen we aan, deden de trap in drie treden, we hadden geen telepathie nodig om elkaars wensen te lezen.
De nacht was vurrukkulluk.