Tienergedachte

Toen ik nog vijftien was
krullen verknoeide
en schrilkleurig verfde
mijn kindergezicht

dacht ik met
absolutistische
gretigheid
‘prins doet zijn plicht’.

Advertenties

Russisch dessert uit kookboek 1946

Dat er indertijd voedzame kost gebruikt werd blijkt ook hier weer.
Het gerecht is misschien veel ouder, ook zijn er waarschijnlijk diverse koeksoorten mogelijk.
Of het helpt de internationale betrekkingen te verbeteren is niet bekend maar het zal misschien Poetins verveelde gezicht opklaren, je ziet de man zelden lachen of ben ik sneeuwblind?
Ik speel met het idee dit recept naar Washington te sturen als politiek advies maar ik vrees dat het niet door de factcheck komt,  het boek is tenslotte tweedehands en wie zegt dat ze me geloven?

Lezen en schrijven

Het was een lange dag met veel (winkel-)bezoek en geblader in tijdschriften. Daarbij kwam de volgende herinnering bij me op.

In het huis van mijn jeugd zwierf altijd lees- en schrijfwerk.
Van krant tot kladblok, van tijdschrift tot postpapier en van alles daartussenin.
We vonden dit heel gewoon, bij familie zagen we het ook.
Ook in mijn eigen gezin tierden de papierhopen welig.
Toen, op een dag, kwamen man en ik bij nieuwe kennissen te logeren.
Hartelijke ontvangst, prima bed, brood en bad; toch was ik te vroeg wakker (als gewoonlijk) en ging op zoek naar iets te lezen, desnoods een oude krant.
Niets.
Helemaal niets vond ik behalve een bijna lege krantenbak. Daar lag een haakwerkje in.
Omdat we de avond tevoren gekaart hadden keek ik of het spel er nog lag, ik hoopte op een bijbehorend blokje met potlood of iets dergelijks. No way.
Ik was er beduusd van.
Natuurlijk begrijp ik dat niet iedereen van lezen houd of geen krant heeft maar de meeste huishoudens hebben iets van papier, zelfs degenen die altijd alles opruimen, al is het een kalender voor afspraken en verjaardagen.
Ik zou niet weten hoe ik de overtollige tijd moest doorkomen, ook toen ik voor de kinderen zorgde en sportte en een echtgenoot zoet hield was er tijd teveel.  Misschien was handwerken nuttiger geweest. Of wat dan ook.
Dit speelde me door het hoofd.
De kennissen waren eenmalig, kerstkaarten kwamen niet meer.
Ze hadden zeker geen pen.

Bad batteryday

Horloge stond stil, batterijtje leeg.
Huistelefoon had kuren, batterijen bijna leeg.
Muis bijna dood, batterijtjes op.
AB weigerde, batterij leeg.
Cameraatje weigerde, accu leeg.
Toen ging de bel. Een paar jochies hielden een collectebus op, voor Jantje Beton.
‘Sorry jongens, batter… ehm,  even de portemonnee pakken.’

Episode uit het leven van Heer Dood.

Klikkerdeklak, klikkerdeklak.
Rammelend hinkte Heer Dood over straat, vloekend om de stupiditeit: een gekneusde rib. Hij, een gerenommeerd geraamte, een man van de highest bone-society, hij was gestruikeld.
Over een halfgare vlooienvanger. Of all people trof hij een idioot.
Het gebeurde doordat de onwijze met een vangnet aan het jagen was op enkele ontsnapte vlooien en daarbij De Dood over het benige hoofd zag, tegen hem aan botste en ze samen met een kletterende klap ten val kwamen.
Heer Dood, die in gedachten verzonken was, had niet op de vlooienman gelet en staarde na de klap verdwaasd naar zijn bottenuitstalling.
Langzaam kwam hij bij zinnen waarna hij probeerde zijn ruggengraat in de juiste positie te wringen.
Het ging moeizaam, zijn botten kraakten naargeestig; hij moest onder ogen zien dat hij beschadigd was.
Een van de ribben was zo pijnlijk verbogen dat hij hem niet in de juiste kromming kon terugbuigen zonder in akelig  tandengekners uit te barsten.
De vlooienvanger stond over Dood gebogen. ‘Lukt het ’n beetje, meneer? Lust U een vlooitje?’ en hield hem het gevulde potje voor.
De Dood keek met holle ogen naar hem op. “Haal een brancard”, begon hij, ingehouden, maar allengs wonnen zijn holtes aan volume en donderde hij ‘of een sleepwagen, een fiets, draag me desnoods op je rug maar breng me naar een kraker of ik zal je vlooien in je hemd stoppen dat je je nagels aan flarden krabt.’
Geschrokken liet de man zijn attributen vallen, raapte Hr Dood op en hees hem in de brandweergreep. Hij holde zo vlug hij kon met zijn rammelende vracht naar het hospitaal en leverde hem af voor de kamer van Zw. Rib, mr.dr. voor alle beenderen.
Meer dood dan levend hing de gewonde tegen de deur, toen meester Rib eigenhandig openmaakte viel er een bijna bezwijmd geraamte in zijn armen.
‘Nou nou’, reageerde de heer Rib overdonderd, ‘dat is wel wat veel voor één consult. Hier had U een dubbele afspraak voor moeten maken.’
Heer Dood schudde zijn doodshoofd: ‘Alleen die ene rib, die zo krom uitsteekt, kun je die onder verdoving rechtzetten? Het doet pijn als ik lach’.
‘Hm, eens even kijken, gaat U hier maar liggen’.
Heer Dood sorteerde zich op de onderzoekstafel; hij probeerde zo zachtjes mogelijk ‘au’ te roepen maar kon niet voorkomen dat Rib gepijnigd naar zijn oren greep en gehaast zei: ‘laten we beginnen met een afleidingsmuziekje, de Danse Macabre lijkt me wel geschikt.’
Hij haakte een koptelefoon aan Dood’s hoofd. Ook goot hij een plens pijnstiller her en der tussen de knekels, daarna sloeg hij de aangedane rib met een rubber hamer in de juiste positie. De pijnkreten vielen fraai samen met het slotstuk van de muziek.
Heer Dood stond op, hij krabte zich.
‘Het jeukt dat het barst,’ klaagde hij.
Bestraffend keek Rib hem aan. ‘Houdt de hygiëne in acht meneer, dat krijgt U ook geen vlooien.’

Na afloop strompelde Heer Dood dikbezwachteld, bleek en met een borst vol wraakgevoelens de deur uit. Op zoek naar de vlooienvanger.
‘Die gaat er aan,’ klapperde hij, ‘vandaag nog.’
Klikkerdeklak, klikkerdeklak.

Boek over Afrika

De Afrikaanse weg, Ton van der Lee.

Mocht je denken iets van Afrika af te weten, dan kom je er bij het lezen van dit boek wel op terug. Geen sluitende roman maar zo leest het wel.
Hij maakt een auto-trip van Kaapstad naar Caïro en weet van alle Oost-Afrikaanse landen iets te vertellen. Oorsprong, economie, bevolking en godsdienten, kolonisatie, slavenhandel en  manipulaties van het westen, oudheid, noem maar op. Vragend naar oplossingen papt hij met de mensen aan.
Jammer dat het enigszins gedateerd is (2008), ik zou graag iets vergelijkbaars  willen lezen over de jaren van nu maar kan het niet vinden.
Voor wie houdt van reisverhalen met diepgang is dit een aanrader.

Nooit gedurfd

In Laagste_punt_ van het land de stop eruit trekken.

Nachtpo stiekem lek steken.

Bot van de hond in soeppan stoppen.

Bodem van lijkkisten te losjes schroeven

Knipogen tegen de pastoor.

De witte muizen loslaten op een ouder-verjaardagsfeestje.

Grassprieten door de spinazie roeren.
===
Nu zouden we het wel durven maar verzinnen zoiets niet.

Bijgeloof?

Wakker liggend hoor ik opeens een zacht gemurmel.
Vreemd. Ik controleer tv, internet en keukenapparatuur en ga weer naar bed.
Opnieuw hoor ik het, luider nu. Speurend kijk ik rond maar de maan laat het afweten waardoor schaduwen vaag aandoen, de stoel is een onduidelijk vorm, het nachtkastje een donkere vlek. Ik knip het licht aan, niets te zien, en uit.
Het geluid zwelt aan, langzaam maar onmiskenbaar.
Een gedachte flitst door mijn hoofd: komen ze me halen? Hebben ze weet van..  neeee, zoiets bestaat niet.
Dieper kruip ik onder de dekens.
Ze dempen het geluid slechts ten dele. Het heeft nu een doffe ondertoon, iets dwingends.
Het klinkt als een omen van slechtheden en doet me huiveren.
‘Jje bent toch niet bang?’ meen ik te verstaan. ‘Kom kennis maken…’ Maar ik ben juist erg bang, gluur voorzichtig door een kiertje. De maan richt één voorzichtige straal op het nachtkastje, duikt weer weg.
Het is genoeg. Daar ligt het levenstestament dat ik maakte.
‘…in geval van ernstige ziekte …blijvend letsel aan organen… etcetera….blabla… gelieve mijn leven niet te rekken…’
Een bijgelovige vriendin keurde het af. ‘Het is de goden verzoeken, ze komen je halen voor je tijd.’
Ik lachte haar uit.
Maar nu.
Ze komen naderbij, ze willen me. Ik voel het en sterf nu al bijna, van angst. Nog niet, roep ik, het is te vroeg, ga weg, ik wil niet…
In wanhoop grijp ik het papier en scheur en nogmaals en meer, bij elke rits neemt het murmelen af tot het papier op is.
Het is stil.

Dag, bedmaatje.

Het was einde winterweer,  fris briesje, lekker voor de was van het beddegoed.
Fleurig en schoon hing het aan de lijn.
De grote dekbedhoes dubbelgeknijperd.  Ziezo, die zat goed vast.
Jahaaa, dat had ik gedroomd.
De wind kreeg vat op de hoes en nam hem mee; ik vloog er achteraan, door een regen van losknappende knijpers. Bijna had ik hem, verdorie, hij kwam op de schuur neer en bleef daar liggen.Trap erbij gehaald en net gooide ik een been over de dakrand toen de wind hem weer oppakte en verderop sleurde, naar de dakgoot. Wat een pesterij.
Klimmen ligt me niet zo. Het duurde te lang, hij waaide naar de schoorsteen zodra ik bovenkwam.
Arrrggg.
Eenmaal daar aangekomen zag ik hem naar het noorden zeilen, zwaaiend met zijn instopflap. Wat, vond hij het nog leuk ook?
Ongelooflijk. Zoveel jaren een bed gedeeld en me nu in de steek laten? Nee toch…
Ik leende een telescoop en zette die op de nok, zocht even en ja, daar zag ik heel in de verte een roze-gebloemde lap zweven, op zijn gemakkie dreef hij tussen de wolken. Poolwaarts.
Ook dat nog.
‘Dat gaat te ver’ jammerde ik, ‘naar de kou, waar poolvossen en ijsberen wonen, en ijskonijnen, daar ga ik hem niet halen, dat durf ik nooit.’ Zo sipte ik een tijdje want het duurt even voor je over een dergelijk verlies heen bent.
In gedachten keek ik hem na en slikte voordat ik een nieuwe kocht.
Soms denk ik nog wel eens aan hem, of hij goed terechtgekomen is.
Als je toevallig in die buurt op vakantie bent en een ijsbeer tegenkomt in een roze gebloemde jurk, dat weet je dat die jurk van mijn dekbedhoes gemaakt is.